ZIELSVEEL VAN JOU

Door Kees van Baalen

(OCR pdf versie Zielsveel van jou.)
(4000 jaar programmering van de West-Europese ziel met waarde, normen, gevoelens, wil en dialectiek)

Intro


Je ziel is het "orgaan" waarmee je verliefd wordt, boos bent, je gelukkig voelt en waarmee je sterft. Hoe die ziel precies in ons lijf zit weten we nog niet. wel hoe hij werkt. Het is een soort biologische computer, waarin als "software" verschillende programma's kunnen worden ingevoerd. Programma's die "een cultuur" heten en bestaan uit een moraal (een systeem van goed en kwaad) en duizenderlei andere regels en gewoonten.
Andere organen, zoals longen, hart en nieren werken automatisch. De ziel niet. Die moet haar werking leren. Net zoals ons taalorgaan, dat na de geboorte er op wacht welke (moedertaal het aangeboden krijgt (Nederlands, Chinees of Urdu?). Zo wacht een kinderziel ook hongerig af welke cultuur hij mag gaan leren en welke Grote Leermeester hem daarbij voorgeschilderd wordt. De wijze Confucius? Boeddha in zijn verheven rust? De profeet Mohammed? Mozes met zijn stenen wetten? De Jezus aan zijn kruis?
Niet alleen hun moraal moet je leren. Ook een hand geven als je binnenkomt, je hand voor je mond houden als je hoest en die duizend andere dingen die een welopgevoed mens van je maken binnen een cultuur.
Het systeem van die dingen, de cultuur, is voor West-Europeanen in vierduizend jaar geconstrueerd. Deels onbewust. Maar heel veel is ook ooit "bedacht" door vorsten, synodes, en kerkconcilies. dingen waarvan wij nu vinden "dat het zo hoort".
Het relaas van hoe dat inwendig behang van onze ziel gemaakt is wordt hier in grote houtskoollijnen geschetst. (Af en toe kruip ik (cursief) in de huid van iemand die het toen zelf meegemaakt heeft)



Persoonlijke verantwoording


lk begin mijn verhaal met waarom ik begonnen ben met mijn graafwerk naar de constructie van onze ziel.

Hoe werkt een ziel?


Als ik dat wist, dacht ik eens als student, dan zou ik weten wie van de twee ik moest vragen voor het aanstaande studentenfeest? Het mooie populaire meisje? Of die aardige intelligente studente?
Nachtenlang zwierf ik door de donkere straten van de stad, hopend dat de God, in Wie ik toen nog geloofde, mij bij die keuze zou helpen. Al wist ik, rechtgelovig, wel dat Hij mij een ziel gegeven had, waarmee ik in vrijheid zelf mocht kiezen. Maar hoe deed die ziel dat? Of liever: Hoe moest ik die ziel dat laten doen?
Daarbij kwam dat het mooie meisje óók wel aardig was. Alleen niet zo aardig als het aardige meisje. En het aardige meisje was ook zeker niet afstotelijk. Ze had leuke krulletjes en lichtjes in haar ogen. Maar weer niet van die lange wimpers en zo'n beeldschoon figuur als de mooie.
Als op mijn nachtelijke zwerftochten een van die twee meisjesgezichten in het donker voor mij uit ging zweven, werd ik meteen besprongen door die andere grote twijfel in mijn leven: Wat moest ik worden? Dominee of ingenieur? Ingenieur om de wereld te verbeteren? Of predikant om mensen te helpen in hun zielenood?
Eigenlijk was die dominee in mij al socioloog geworden. Een twijfel- gelovige als ik kon immers moeilijk de mensen voorgaan in hun geloof. En sociologie leek mij tóén antwoord te gaan geven op vragen die mensen tot dan toe aan de religie hadden gesteld. Maar in die vijftiger jaren was net half Zuidwest-Nederland ondergelopen door een stormvloed en de Wederopbouw na de oorlog was ook nog in volle gang. Moest ik niet liever dan zweverig sociologiseren stevig de handen uit de ingenieursmouwen steken?
Als die twijfel op een dood punt kwam, was er weer: Wie van die meisjes moest ik toch vragen voor het bal? Je ging in die dagen niet zomaar met een meisje uit. Tweemaal per jaar was er een studentenbal. een ervan naderde en die meisjes wisten dat. En vermoedelijk ook dat ik tussen hen twijfelde. lk bad: "Lieve god help mij. O nee, ik moet zelf beslissen." En gauw ook. Want zo'n meisje moest met haar moeder een avondjurk gaan kopen of maken. Daarna moest je als bleue jongensstudent de kleur van die jurk te weten zien te komen. Of liefst via de moeder een staaltje van de stof ervan bemachtigen. Om ermee naar een bloemist te gaan voor een corsage (een paar bloemetjes, samengeknepen in zilverpapíer) voor op die jurk. Dat laatste probleem is door de Vooruitgang gelukkig uit de wereld geholpen. Die andere keuzen zullen wel eeuwig blijven: Met wie ga ik (voorlopig) door het leven? En: wat moet ik op deze wereld doen?


Als overserieuze student pakte ik die laatste vraag duchtig aan. Van waterbouwkunde en sociologie deed ik allebei de propaedeuse. Om daarna te beslissen. Toen ik geslaagd was zei mijn beroemde sociologieprofessor: "U hebt goed examen gedaan. U kunt goed denken." Waarop ik durfde bekennen dat er toch iets was waar ik niet uitkwam. Mijn keuze. Of liever: Hóe je moest kiezen? Hoe een ziel dat deed, of moest doen. Hij keek mij peinzend aan, deed de deur van zijn kamer open en stuurde mij naar zijn assistent met: "Hier is iemand met een levensprobleem." De grote man wist het dus ook niet.

Ik ben noch ingenieur, noch zielenherder geworden. Als student leidde je in de vacantie jeugdkampen. Die jeugd beviel mij wel en ik werd leraar. Een heerlijk vak.
O ja, en die twee meisjes. lk ben met de mooie naar het bal gegaan. Zij had als 'beauty' het meeste zelfvertrouwen van de twee. Zij nam het heft zelf in handen. Na een college sprak ze me aan en ik hoorde mezelf onverwacht zeggen: "Zeg, heb je zin om met mij naar het feest te gaan?"
De volgende dag ontmoette ik het aardige meisje. Met haar vrouwlijke intuïtie voelde ze meteen hoe de vlag hing. De lichtjes verdwenen even uit haar ogen. Daarop knoopte ze dapper een "gewoon" gesprek aan. Haar naam weet ik nog: Aleid. Die van de schoonheid ben ik vergeten. Had ik wel "gekozen"? Of nam ik een meisje om mee te verschijnen? Het meisje waarmee ik de hoogste ogen gooide in de ogen van de wereld, mijn vrienden. Of werd zo'n keuze gedaan door het onbewuste? De donkere onderkant van je ziel, zoals ik geleerd had van Freud. Of waren mijn twijfels slechts schijnbewegingen van de ziel? Een nieuwe tergende twijfel. Twijfel aan de twijfel, leerde ik van Kierkegaard.

Ondanks dat ging mijn leven toch het gewone gebaande pad van de nette burgerij. Ik ontmoette een andere jonge vrouw wier gedachten en woorden even snel over elkaar struikelden als de mijne. Verloving, huwelijk, huis, hypotheek en kinderen volgden vanzelf. Zonder dat de twijfel echt verdween. Hij raakte in "het volle leven" op de achtergrond. Hij laaide weer op in de roerige jaren zeventig. Toen heette het schoolsysteem, waarin ik braaf arbeidde, opeens collaboratie met de kapitalistische uitbuiting. Het burgerlijke gezin, waarin ik vrolijk leefde, was opeens een duivels complot ter onderdrukking van de vrouw.
Toen moest ik weer eens "kiezen". Ditmaal tussen het geijkte schoolsysteem of het anders gaan doen. En of het leven in een gewoon standaardgezinnetje niet heel andere geleefd kon worden? Voor die keuzen moest ik dus eigenlijk weten hoe het instrument daarvoor, de ziel, werkt, maar dat wist ik nog steeds niet.
Ik ben tenslotte in een uithoekje van de universiteit terecht gekomen. waar ik rustig kon uitzoeken hoe onze ziel in de loop der geschiedenis gemaakt is. Hier volgt een verslag daarvan.


De geschiedenis van goed en kwaad.


De dieren die ons voorgingen in de evolutie twijfelden niet. Als een kikker een vliegje ziet, hapt hij automatisch. Voor een ooievaar duikt hij weg. Bij ons, mensen, gaan oogknipperen en kniereflexen net zo. Bij het kiezen van een beroep, een vriendin, een vacantie of nieuwe sokken gaat het anders. ln de evolutie hebben wij daarvoor een nieuw stuk hersens ontwikkeld. Hoe die in elkaar zitten weten we nog niet. Wel hóe ze werken. Van een horloge of rekenmachine weten de gebruikers meestal ook niet hoe het ding in elkaar zit, maar wel “wat het dóet". Zo zal het hier ook over de ziel gaan.


De bouw van onze ziel is begonnen toen wij in de pre-historie leefden in kleine zwervende stammen. Van zo'n 60 tot 200 personen. Een gebied als Drenthe kon enkele zulke groepen voeden. Met meer dreigde "overbevolking". Het territorium werd te klein en dus te weinig eetbare bessen en vangbare beesten. Zag je aan de horizon andere mensen, dan waren die dus altijd de vijand. Je hele leven was je als man jager en krijger. (En dat zijn we diep in onze genen nog.) Als dier het zwakste (geen klauwen, kracht, snavel of vleugels), toch evolutionair de succesvolste. Door het "wapen" taal. Je kon roepen: "Jan als jij die mammoet hierheen lokt waar Piet zijn scherpgepunte palen in deze kuil heeft gezet ...." Dan had de stam een paar weken vlees te eten. (Zo hebben wij hier in de prehistorie de mammoet en de wolharige rhinoceros uitgeroeid.) Zo'n leven eiste een moraal. In dit geval strenge discipline. Als Jan er met die mammoet achter zich aankwam moest Piet die palen wel klaarhebben. Er was dus in de stam één die het voor het zeggen had. Degeen met de sterkste knuisten en de grootste mond. De hoofdman of koning.
Toen de stammen groter werden (jacht werd veeteelt) en de samenleving later nog complexer (steden, landbouw) werden de gebruikelijke uitspraken van de koning op een lijst gezet, de wetten. De oudste, 4000 jaar oud, zijn gebeiteld in steen opgegraven in Mesopotamië (nu Irak en Iran) en staan nu in het Louvre in Parijs. Zij hadden de vorm "Als .... het geval is, dan moet er ..... gedaan worden." Bijvoorbeeld: Als iemands ezel in jouw put valt, dan moet jij die vergoeden. Of: Als jouw stier iemand dodelijk op de horens neemt, dan moet jij ter dood gebracht worden."
Door het alsmaar volgen van zulke regels werd in de hoofden van de mensen gevormd het denkmachientje (de moraal): Als dit het geval is, moet je dat doen.
De aartsvader van de Joden, Abraham, heeft zulke wetten meegenomen uit Babylonië naar Palestina. Daar zijn ze (onder Mozes heet het) uitgebreid tot er voor alle levenssituaties een voorschrift was. Voor iedere situatie was dus een regel: "als .... het geval is, dan moet je .... doen." Het geniale van dit systeem was dat goed en kwaad (in principe) voor altijd definitief geregeld was. Het bezit van dit stel leefregels heeft het Joodse volk een kracht gegeven waardoor het als enige volk uit die tijd nu nog bestaat. Het was politiek een soort Luxemburg of Liechtenstein tussen de supermachten van toen: Assyrië, Perzië, en Egypte. Van die rijken restten slechts een paar zandoverstoven ruïnes. Terwijl Israël ondanks deportatie, diaspora, pogroms en holocaust is blijven bestaan.
Onze Westerse cultuur, die nu bezig is de hele wereld te overspoelen met zijn wetenschap, techniek, recht en democratie, doet dat met de erfenis van het Joodse morele systeem. Al is dit bij het begin van onze jaartelling ingrijpend veranderd.


De Joodse Wet wordt Christendom door het toelaten van het gevoel en waarde in de moraal.


De Joodse Wet was voornamelijk uitwendig. Als je wilde weten wat je moest doen, dan stond het dáár, in die lettertjes van de Wet. En die ging voornamelijk over uiterlijke dingen: ezels, putten, bijlen. De mensen hadden waarschijnlijk wel dromen, verlangens, twijfels en gevoelens. Naar dat was franje, die vrijwel geen rol speelde in de moraal. Toch zijn rond ons jaar nul die emotionele zweefsels binnengedrongen in de moraal doordat in het altijd woelige wereldkruispunt Palestina twee nieuwe heel verschillende geestesstromingen binnenkwamen. Een ervan, het Hellenisme bracht uit Griekenland mee de notie van "waarde". Nog steeds het best beschreven met Plato's onverslijtbare beeld van "de Grot". Hij, mensen, leven in een grot (de wereld). Door een opening naar buiten, waar de hemel is, stroomt licht naar binnen dat op de achterwand van onze kerker schaduwen werpt van de Waarde; het schone, het ware, het goede. wij kunnen die "Waarde" niet rechtstreeks zien. Zoals wij ook niet recht tegen de zon in kunnen kijken. Toch herkent onze ziel waarde, want die was (volgens Plato) voor onze geboorte daar in dat rijk van het ware, schone en goede. Wat wij, jij en ik, daar van over hebben is dat wij ons leven (horen te) richten naar die Waarde. Men spreekt tegenwoordig wel van waarden; eerlijkheid, waarachtigheid, zuiverheid, trouw, enzovoort. Maar eigenlijk zijn dat namen van die ene zelfde waarde, zoals hij in verschillende situaties verschijnt. Bijvoorbeeld als het ware in de wetenschap, het goede in het recht en het schone in de kunst. Waarde is een soort abstrakt licht dat over al onze daden schijnt en dat de al of niet zuiverheid ervan toont. Een soort innerlijk kompas dat ons altijd de goede richting wijst. Die richting staat niet ergens precies opgeschreven. wij leren hem zoals je de grammatica van je moedertaal leert. Voor het grootste deel "vanzelf". Tussen neus en lippen krijg je steeds kleine aanwijzingen. Je moeder zegt bijvoorbeeld tegen je: "Jij zegt dat je je houdt aan de regel: niet voordringen, maar als er iets moeilijke gedaan moet worden, is dat vals." Je schoolmeester: "Jij zegt wel dat je je huiswerk hebt gedaan, maar heb je het echt geleerd?" Je baas later: "Mijnheer, u zegt dat u niet gemerkt heeft dat er op uw afdeling iets helemaal verkeerd is gegaan, maar had u, heel eerlijk gezegd, niet wel degelijk kunnen zien dat er wat aan de hand was?"
Die Waarde, dit voortdurend mogelijk beroep op eerlijkheid, zorgvuldigheid, goede trouw en goede smaak is onze erfenis van de oude griekse cultuur, die omstreeks het jaar nul onder de naam Hellenisme is binnengekomen in het Joodse Palestina. Vanuit het oud-Griekse waardebesef was de kritiek op het oud-Joodse “als ..., dan ..."- systeem dat je de regels daarvan vaak met smoesjes of slimmigheden kan omzeilen. De griekse “Waarde” was een soort krachtig zuiver moreel licht waartegenover geen bedrog of valsheid mogelijk was.


Uit het Verre Oosten stroomden echter in die tijd in het Mozaïsche Israël nog een een heel ander soort geloven en geloofjes binnen, die ik hier samenvat onder de naam gnosisachtigheid. Volgens die stromingen moest je in je leven voornamelijk je gevoelens volgen. Daar was je gevoel het innerlijke kompas dat inspiratie gaf aan je daden. Ontroering over iets moois dat je ziet, verliefdheid, muzikale invallen, klanken, een roes van gezelligheid, dans, en spel, dat waren de kleuren op het palet waarmee de gnosisachtige mens zijn leven schilderde. Je vond die emoties door inkeer in jezelf, communicatie met anderen en muzische groepsactiviteiten.
Er vroegen in Palestina rond het jaar nul dus drie heel verschillende systemen om de intermenselijke omgang te regelen om de voorrang: het abstrakte Griekse waardebesef, de Joodse wetsregels en de Oosterse gnosisachtige emotionaliteit.
Voor de Joodse priesters met hun krachtige Wet was het Hellenisme iets goddeloos en de gnosisachtige groepjes "bezetenen door demonen". Toch zagen vele gewone Joden rond het jaar nul dat er wel iets goeds zat in die Griekse waarde, maar ook in het communiceren met andere mensen vanuit je gevoel. Er ontstonden aan de rand van de Joodse maatschappij kleine groepjes van mensen die probeerden griekse waardebesef en de gnostische emotionaliteit te verenigen met gehoorzaamheid aan de oude Wet. Een van die groepjes bestond uit wat wij nu de twaalf apostellen noemen.


Hoe zou het mij als piekerend jongnens vergaan zijn in die tijd? Ik was zeker eens gaan luisteren naar zo'n rondreizend Grieks wijsgeer, in zijn filosofenmantel en was geboeid door de wijsheid en de schoonheid van zijn verheven filosofie, die zo anders was dan het strakke regelsregine van de Thora thuis. Ik had mij daarnaast vast ook eens laten meevoeren in het enthousiasme van een gnosisachtige groep en had in hun meditatie, gezangen, dansen en geuren beelden en gevoelens ontdekt, die in mijn ouderlijke wettische milieu volkomen onbekend waren.
Mijn lichaam reageerde echter op die nieuwe ervaringen net exceem
en slapeloosheid. Ik ging daar, zoals van huis uit hoorde, mee naar de priesters, de schriftgeleerden. Zij bekeken mijn huidvlekjes en zeiden het was melaatsheid, als straf voor mijn ongehoorzaamheid aan de Wet en kontakt met heidenen. Ik was dus uitgestoten uit mijn volk, kon niet neer naar huis en lag op mijn matje bij een bron voor wat koelte. En zie, wie kont daar langs. De prediker of goeroe, waar ik eens van gehoord had. Die ik zelfs gezien had toen de hele stad uitliep toen die man op een ezel de stad binnenkwam. Er ging een mare dat hij zieken genas en wonderen deed. Hij ging naast mij zitten en vertelde dat die Oosterse gevoelswereld en dat Hellenisne, waardoor ik dacht ziek te zijn geworden in de landen waar ze vandaan kwamen een eerbiedwaardige status hadden en de mensen hielp bij hun leven daar. Het was de taak van jongeren, zoals ik om die griekse en oosterse geestelijke rijkdommen met de joodse Wet te verenigen. Emotionaliteit en filosofie zouden het keurslijf van die Wet gaan verruimen. Ik ben opgesprongen, heb mijn matje opgerold en ben mijn vrienden alles gaan vertellen. Mijn zweren verdwenen. Zelfs de rabbijnen zeiden: ”He, het was toch geen melaatsheid.”


Die goeroe, Jezus, die een aantal twijfelaars in de toenmalige culturele verwarring uit hun lethargische verscheurdheid tussen de drie schijnbaar strijdige morele systemen wist op te wekken, was slechts één van de vele rondtrekkende predikers en profeten. Van die anderen weten we weinig. Jezus' woorden hebben echter zoveel historische gevolgen gehad dat ik ze hier onder de microscoop leg van de moderne (mathematische) taalanalyse.
Mattheus 10 vers l9: “Als men je voor het gerecht sleept en je bent vol vertrouwen, dan komt wel in je op wat je zeggen moet en daarmee bereik je precies het goede."
Dit is nog wel het oude "ala ...., dan ...."-schema van de Joodse Wet. Máár verruimd tot "als situatie .... en je hebt het gevoel ...., dan moet je ...... doen en krijg je waarde.....".
Geniaal nietwaar. Binnen een (joodse) zin is ruimte gemaakt voor (gnostísch) gevoel en (griekse) waarde.
Zo staan er nog heel wat voorbeelden van dat schema in het Nieuwe Testament.

Schema:
situatie gevoel doen waarde

| | | |
als ........... en ............, dan .......... en ...............

De uitvinding van dit "denkmachientje“ is een van de grootste revoluties in onze geschiedenis geweest. Het is later door de christelijke kerk verder uitgewerkt en bepaalt nu nog ons (West- europese) denken. Zonder dat de meeste mensen weten waar het vandaan komt.


Gevoel en verstand. Hóé precies samen? Nicea 325.


Na de uitvinding van het denkschema "als situatie ..... en gevoel, dan gedrag ...... en waarde", die op naam van Jezus staat, dook de vraag op hóé gevoel en het verstand, dat met regels werkt, precies moesten samenwerken. De leiders van het jonge christendom, de kerkvaders, hebben aan die vraag een enorme klus gehad.
Rond Antiochië, waar de eerste christenen vanuit Jeruzalem heengegaan waren heengegaan was nog een soort herinnering aan hoe Jezus een echt en voelend mens was geweest. Ondanks zijn erenaam “Zoon van God” , was hij daarom voor de kerkleider Arius daar primair een, goddelijk geïnspireerd, gewoon gevoelig mens.
Vanuit het oude wijsheidscentrum Alexandrië vond men dat Christus, de Zoon, even goddelijk moest zijn als "God, de Vader", de gever van de verstandelijke wetsregels. Tussen deze twee steden ontstond een hevige strijd om hoe onder de etiketten "De Zoon" en “De Vader" de verhouding van het gevoel en van het verstand zou worden vastgesteld. “Was de Zoon even belangrijk als de Vader, of minder?”
Oftewel: Is het gevoel echt medebepalend naast de regels van het verstand of geeft het slechts een kleurtje aan een morele beslissing, die alleen vanuit de regels genomen moet worden?


Om die geschiedenis mee te maken verplaats ik me in een jongeman uit die tijd. Weer van nette familie, dus uit Rome. Hij diende in de garde van de keizer. Niet dat hij zo graag vecht, maar dat hoorde zo voor je carrière. Lucius heet hij. Zijn dagboek begint enige jaren voor 325 (het christendom is nog een verboden geloof) : "Vandaag dienst gehad in het amphitheater. Saai. Vroeger werden misdadigers terechtgesteld, die om een zwaard vroegen en zich doodvochten tegen de gladiatoren. Nu worden er een nieuw soort gelovigen gestraft. Ze vechten niet, vloeken niet, maar laten zich als lammeren afslachten. Ze knielen hand in hand en laten zich, rustig liederen zingend, door de leeuwen opvreten.
Vandaag was er zelfs een dame van goede familie bij. Er werden voor de afwisseling eens stieren op losgelaten. Haar slavin ging bij de eerste run al tegen de grond. En wat doet die deftige dame? Zij reikt haar slavin de hand en richt haar op. Een slavin notabene. De sensatiezoekers op de tribune door het dolle heen. Gejuich. Men eiste gratie. De vrouwen werden weggeleid. Later zijn ze, hoor ik, toch in het geheim terechtgesteld. Christenen heten die sectariërs naar hun profeet. Ik vroeg ernaar aan mijn centurion. Hij zei dat ik voorzichtig moest zijn. Niet alleen bedelaars en vrouwen zijn lid van die nieuwe secte. Hun geloof begint zich zelfs in het geheim te verspreiden onder handelaars en arbeiders. Zelfs onder legioensoldaten. Ik moet er dus iets van te weten zien te komen.”

Het dagboek enige jaren later in 325 (Lucius is officier en moet wachthouden in Nicea bij het eerste concilie van de net officieel geworden christelijke kerk.): ”Nu, nu dat bedelaarsgeloof al meer dan tien jaar door de keizer erkend is, durf ik er pas uitgebreid over te schrijven. Een dagboek is een gevaarlijk ding in een soldatenkwartier. Mijn strijdmakkers uit de oude patriciërsfamilies willen nog steeds niets weten van die nieuwe god, die zich als slaaf liet doodmartelen aan een kruis. Zij houden het bij hun oude oorlogsgod Mars en de sensuele Aphrodite. Ze zien echter niet dat wie vooruit wil in de wereld niet moet wedden op de heersende macht maar op de komende macht. Daarom heb ik die christenen, toen ze nog vervolgd werden, vermomd in eenvoudige koopmanskleren, opgezocht. Ze noodden mij vriendelijk aan hun rituele naal, braken het brood en hieven een glas net mij. Inderdaad, met hun eenvoud en vriendelijkheid straalden zij een kracht uit, nieuwer en sterker dan de trots en het eergevoel van ons oude Rome. Daarom begreep ik, als enige van ons regiment, waarom de keizer dat geloof van die paupers opeens tolereerde. Zogenaamd omdat hij hun "Kruis" had zien zweven boven die veldslag tegen Maxentius. Ik herinner me die slag nog heel goed door de nog steeds schrijnende pijn in mijn schouder, waar een pijl door mijn harnas drong. Maar een kruis heb ik niet gezien. Dit zijn sprookjes voor donoren, die niet begrijpen dat de keizer genoeg heeft van het gestook en gekonkel van onze oude regentenstand en kiest voor de opkomende klasse, die solidariteit, offervaardigheid en arbeidzaamheid in het vaandel voert. Omdat ik er voorzichtig wel eens blijk van gaf dat ik daar iets van begreep heeft onze keizer mij, die toch niet altijd zo nodig uitblonk in het gevecht, tot ieders verbazing in de hoogste rang gesteld over zijn paleiswacht.
Ik houd toezicht op het eerste concilie van die christenkerk, die het nieuwe cement van het keizerrijk noet worden. merkwaardig schouwspel. Voor de keizer in zijn purper op de troon strompelden zo'n driehonderd bisschoppen binnen. Sommigen nog met de brandnerken en uitgestoken ogen door de folteringen onder onze vorige keizer, de ezel Diocletianus.”


Een paar dagen later:
"De keizer is razend. Hij had verwacht dankbare en eensgezinde nieuwe onderdanen voor zich te vinden en nu zijn er hevige twisten uitgebroken onder de Christenen. Ik had zoiets wel voorzien. Als gardecommandant heb ik een geheime dienst en die had mij al gemeld dat de fractie uit Antiochië met een heel ander verhaal zou komen dan die uit Alexandrië. Volgens de Alexandrijnen is Jezus, de Zoon, "wezensgelijk” aan God-de-Vader. Terwijl in Antiochië de Zoon een, goddelijk geïnspireerd, naar toch echt een mens is. Slechts ”wezensgelijkend” aan de Vader. Over die paar letters strijden ze.
Ik vreesde dat zo'n scheiding der geesten toch wel eens zou kunnen uitlopen op een scheuring van ons keizerrijk. Maar omdat de brenger van een slechte boodschap meestal niet welkom is, had ik de keizer nog niet gewaarschuwd. Nu de ruzie evenwel is uitgebarsten heb ik hem
gemeld dat ik verspieders in de logementen en eethuizen, waar de bisschoppen verblijven, neuzen heb laten tellen. De Alexandrijnen zijn op het concilie in de meerderheid, naar de Antiochiërs hebben de sympathie van het gewone volk. Op straat hoorde ik spotliedjes: "Kan een zoon gelijk zijn aan zijn vader?” En toen ik me bij de kapper liet scheren vroeg die ook al: "En wat vindt U, overste, is de Zoon wezensgelijk aan de Vader?”


Het dagboek een week later:

Sensatie al om. De keizer is zelf met een compromis (in feite een politiek dictaat) gekomen. De Vader en de Zoon zijn "wezenséén”. Voldoende on de Alexandrijnen tevreden te stellen en de grootste Antiocheense stokebrand Arius te verbannen.”


De eenheid van het rijk leek gered, maar onze brave soldaat Lucius zal niet vermoed hebben hoe (veel belangrijker nog) die "keuze" onze Westerse ziel diep zou beïnv1oeden. Het denken van ons verstand volgens regels (de normen) over onze uiterlijke levenssituatie ("de Schepping van de Vader") werd volkomen gelijkwaardig (wezenséén) gesteld met ons innerlijke gevoel (waarvoor "de Zoon" ruimte had gemaakt in de Wet).


De Heilige Geest erbij. De Heilige Drie-eenheid. Constantinopel 381.

ln hun strijd over Vader en Zoon (metaforen voor verstand en gevoel) hadden de bisschoppen in Nicea de Heilige Geest (de metafoor voor "de waarde") even vergeten. Op een concilie werd Hij er snel weer bijgehaald. De Heilige "Drie-eenheid" was geboren. Hoe waarde, verstand en gevoel precies moeten samenwerken is pas veel later, omstreeks 700. helder geworden, wat hier verderop wordt besproken. Het op een of andere manier gelijkwaardig samengaan van verstandelijke normen, gevoel en waarde (Vader, Zoon en Heilige Geest) is sinds 381 de voor ons westerlingen vanzelfsprekende werking van onze ziel geworden.


Bijvoorbeeld bij moeilijke keuzen zoals waar ik moest kiezen tussen twee studies. Of tussen die twee meisjes. Mijn verstand had me mijn situatie voorgerekend: volgens de heersende normen in mijn studentenwereld moest ik met iemand naar dat bal, maar mijn verstand kon verder niet invullen met wie. Dat moest mijn gevoel doen. Begeerte en eerzucht wezen naar het oogverblindende schepsel. Terwijl warmte en sympathie uitgingen naar het aardige meisje. Vanuit mijn (christelijke) waarden zou ik de "goede" gevoelens hebben moeten kiezen. Ik deed dit niet, zoals ik in de inleiding al meldde. lk werd verrast door een probleem waar de eerwaarde vaderen der Kerk ook op stuitten in de vijfde eeuw. Soms doe je iets dat je eigenlijk niet wil. Zoals mijn zwichten voor het mooie meisje (dat wil zeggen voor begeerte en eerzucht). De apostel Paulus heeft het ook al over dit probleem gehad. Hij zei: "Niet het goede, dat ik wil, doe ik, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik."


De splitsing van de mens in lichaam en ziel. Chalcedon 451

Latere kerkvaders zijn gaan worstelen met het probleem hoe het kwam dat je na het met dat superieure systeem van waarde, verstand en gevoel sturen van je bedoelingen toch soms (en soms zelfs vaak) iets anders deed. Zij projecteerden dit probleem naar boven met de vraag "Heeft onze Heer Jezus Christus werkelijk geleden als mens?" Daarmee vroegen zij zich af hoe Hij omging met wat Hij dacht en voelde tegenover wat Hij dééd.

Er ontstond weer ruzie over die het keizerrijk dreigde te verscheuren. Ook ditmaal riep het Hof, met een keizerin ditmaal, de bisschoppen bijeen voor een concilie. Om dit mee te maken kruip ik weer in de huid van een tijdgenoot.
We schrijven 451. Als veelbelovende jongeman ben ik nu niet in het leger gestart, naar studeerde in Alexandrië, met zijn bibliotheek van wel duizend boeken. Het keizerrijk is op zijn retour. De legioenen zijn in handen van barbaarse volken, die soms zelfs hun veldheren op de keizerstroon weten te dringen. Zoals onze huidige inperator Narcianus. Toen onze vorige heerser Theodosius Il dodelijk van zijn paard viel heeft zijn zuster, de legitieme erfgename, de verstandige beslissing genomen om de machtigste generaal als echtgenoot naast zich op de troon te zetten. Alleen op de troon overigens, want in haar bed schijnt ze hem niet te willen. Dat ik kan begrijpen als je zicht hebt op de stroom hetaeren en danseresjes die door zijn bed trekt. En dat zicht heb ik, want ik heb als vijfde geheimschrijver aan het hof soms te maken met de werving van deze dames. Waarvan ik in het geheim weer afschriften laat gaan naar Hare Majesteit. Mijn medeklerken durven zoiets niet. Zij zijn bang dat de generaal-keizer zijn wettige echtgenote zal laten verdwijnen op een officiële of minder officiële manier. En dat zij als hoveling van de keizerinnekant dan ook minder prettig zullen moeten vertrekken. Ik vrees dat niet. Ik denk dat de generaal met zijn soldatenverstand inziet dat het leger, hem onderdanig, wel een belangrijke machtsfactor is in het rijk, maar niet meer de enige. De andere dat zijn de prelaten, die in hun bisschopsmantels en met hun mijters op, hier het paleis in en uit lopen. Daar begrijpt hij het fijne niet van. "De Kerk” laat hij over aan zijn vrouw.

We zitten midden in een groot concilie. Er was weer eens een schisma uitgebroken, dat ook het keizerrijk dreigt te verscheuren. Het Hof heeft dus weer de prelaten bijeengetrommeld voor een concilie. Een paar jaar geleden is dat mislukt in Efese. Daar stonden weer Antiochië en Alexandrië tegenover elkaar. De Alexandrijnen met als stoottroepen een horde woestijnmonniken die zichzelf uithongerend en sex vermijdend van het kwaad willen verlossen. Die asceten pikten het niet dat de Antiochenen er weer mee aankwamen dat Jezus toch ook een echt mens was geweest, die at en wijn dronk. Hun Flavianus is door die monniken zo toegetakeld dat hij kort daarna stierf.
0m zulke excessen te voorkomen laat de keizerin een nieuw concilie houden in Chalcedon.
Mijn taak is verslag uitbrengen van roddels en intriges "in de wandelgangen". Ik draag een soort kaftan, zodat ik tussen de priestergewaden niet opval.
's Avonds meld ik mij aan een achterdeur van het paleis. Ik werd naar Hare Majesteit gebracht. Daar was ook mijn chef, de Notarius, met de officiële verslagen. De strijd is weer hevig. Nestorius, de Antiocheense woordvoerder is veroordeeld omdat hij teveel had nadruk gelegd de "menselijke natuur” van Christus. Terwijl de Alexandrijnse bisschop Eutyches Zijn "goddelijke natuur" weer teveel overdrijft. Ik kon melden dat de Alexandriinen, als ze hun zin niet krijgen, dreigen zich van de kerk af te scheiden. Ik gaf daarnaast als mijn eigen mening dat die "goddelijke natuur” en "menselijke natuur” van Christus, waar ze het steeds over hebben, gewoon metaforen zijn voor ziel en lichaam.
Mijn baas keek afkeurend: "Majesteit, we zullen vanwege die afscheidingsdreiging uw gouverneur in Egypte waarschuwen. De verdere woorden van deze jongeman over metaforen zullen we maar als jeugdige onbezonnenheid beschouwen."


De volgende avond ontving de keizerin mij alleen. Ze zei: "Jongeman hoe weet je dat van lichaam en ziel?"
Ik antwoordde: "Mevrouw, de meeste mensen schrikken ervan dat ze naast de brave christelijke bedoelingen van hun ziel ook nog hevige hartstochten blijven houden in hun lichaam."
"Dus jij gelooft dat wij naast onze christelijk gedoopte ziel nog een heel ander geaard lichaam hebben?” vroeg de keizerin.
lk zei: "Als u het mij veroorlooft. Ja. Ik denk dat naast onze christelijke beschaafdheid onze heidense verlangens gewoon zijn blijven voortbestaan? En ik denk dat de koppeling van die christelijke ziel aan ons lichaam, de geheime agenda van dit concilie is."
De vorstin verzonk in gepeins. Ze wenkte een hofdame om mij uitgeleide te doen. Ze zei als afscheid: "Je bent een interessante jongen. Wil je mij gauw weer verslag doen.”


Na weer dagen ronddwalen tussen de priesters in de grote kerk van Chalcedon, vervoegde ik mij 's avonds weer bij de wacht aan de achterpoort van het paleis. Deze maal werd ik opgewacht door harer majesteits persoonlijke hofdame, Emilia. Zij nam mij aan de hand mee naar het allerbinnenste van de vrouwenvertrekken, het boudoir van de keizerin. Aan de muur gobelins met herten en nimfen. Notenhouten piedestalles droegen een kristallen vaas met een roos of een bloesemtak. Onze gebiedster lag zonder diadeem, sieraden en heerseressenhouding op een goudbestikte divan. De kamenier liet ons alleen.
Ik had mij geprepareerd op een college over dyo-fysitisme (twee naturen), mono-fysitisme (één natuur), bisschopstaal over lichaam en ziel. De keizerin vroeg echter: "Vertel iets over jezelf. Leven je ouders nog? Hoe doe jij het met lichaam en ziel? Je hartstochten? Heb je veel liefjes gehad?"
Ik voelde me vuurrood worden: "Majesteit, ik weet niet precies..?" Zij lachte om mijn verwarring: "Laat dat majesteit nu maar weg. Je weet heel goed dat ik Pulcheria heet."
"Majesteit, Pulcheria, ik eh ..., ik wéét wel van lichaam en ziel, maar eigenlijk kan ik er zelf ook niet zo goed mee overweg."
"Goed. Zo heb ik het liever. En dacht je dat ik het wel allemaal voor elkaar heb in mijn leven? Ik heb zogenaamd een echtgenoot. Het wordt al een ”Jozefs-huwelijk" genoemd. Naar Jozef, die nadat de engel Maria kond gedaan had van haar zwangerschap van de Heilige Geest, haar niet meer aangeraakt heeft. Dacht je dat dat leuk geweest is voor Maria? Of ... Nee, weet je dat jij de eerste man bent die ik hier alleen ontvang. Je priesterstatus en je onschuldige uiterlijk,.. ach laat ik je niet plagen. Vertel mij gewoon wat er vandaag gebeurd is."
Ik verhaalde hoe de bisschoppen weer gestreden hadden over de menselijke en de goddelijke natuur van Christus. Nog steeds volgens mij als metaforen voor de verhouding van lichaam en ziel. De keizerin verzonk in gepeins en liet mij door Emilia door de lange gangen weg brengen. Teruglopend naar huis werd ik gevolgd door een soldaat, die ik de komende dagen ook steeds tegenkwam na de zittingen of op straat.


De volgende avond in het paleis noemde ik Pulcheria dit schaduwen. Zij zei: "O ja, ik laat je beschermen. Je bent me te dierbaar geworden om je ergens in een steeg een mes in je rug te laten krijgen. De heilige vaders houden er soms minder vrome methoden op na. Zoals Efese, dat de bisschop in Rome al een "roverssynode” heeft genoemd. Maar vertel verder.”
Zij lag op haar divan, gekleed in wel zeer informele kledij. Een wijde wikkelrok en een gazen bloeze waar doorheen ik tot mijn ontsteltenis zelfs haar huid zag schemeren. "Drink iets, jongen." zei ze toen zij mijn hand zag trillen: "En kom gezellig bij me zitten." Aan haar voeten op haar ligbed vertelde ik hoe de vroede vaderen elkaar weer beleefd voor rotte vis gescholden hadden. Met "Patripassianisme" als scheldwoord voor die bisschoppen die beweerden dat de Vader Zelf aan het Kruis geleden had. ”Docetisme” voor wie meenden dat Christus daar slechts in een menselijke schijngestalte had gehangen.”
"Ja zo helpen de eerwaarde heren ons niet verder met onze goede ziel en ons hartstochtelijke lijf, mijn jongen. Dat zullen we zelf moeten doen."
"Ja mevrouw, eh Pulcheria, maar ik kom er ook niet uit." "Maar, lieve jongen, is nadenken niet iets voor onze ziel? Zullen wij ons lichaam niet voor zichzelf moeten laten opkomen? Raak mij eens aan."
Ik voelde het grote paleis om mij heen met duizend intriges en ogen en oren achter deuren en muren. Maar toen ik in de ogen van mijn landsvrouwe tranen zag legde ik mijn hand voorzichtig op haar voet.
Ze zei: "Lief van je. Streel mij, en zeg wat je daar voelt?"
"Verlangen. Onzekerheid. Een lichaam dat de ziel vreest."
"Wat wil de ziel dan, mijn jongen?"
"Zuiverheid. Schoonheid. Vrede."
"En het lichaam? Mijn lichaam? Wat wil dát?"
"Warmte. vervoering. hevigheid."
"Maar hoe moet dat sanen?"
"Ik...., ik weet het niet."
"Ach mijn lieve zoon, ik kwel je met mijn vragen."
Zij streelde mijn haar, trok mij tegen zich aan en drukte een kus op mijn voorhoofd.
"Luister morgen goed naar de eerwaarde vaders. Wie weet hebben zij de oplossing voor ons in petto. De celibataire rakkers." lachte zij. Emilia voerde mij door de verlaten gangen naar buiten.
Op straat marcheerde mijn trouwe soldaat weer met mij mee.
In de enorme kerk in Chalcedon namen de concilievaders hun plaatsen weer in voor de strijd. Er kwam tussen de extreme vergoddelijking van Christus (uit Alexandrië) en de Christus al te menselijk makende tegenpartij (uit Antiochië) een compromis op gang. Uiteraard deels vanwege de keizerlijke pressie vanwege de eenheid des rijks. Maar toch ook omdat de bisschoppen voor het leiden van de christelijke kudde noch een te geestelijk, noch een te menselijk ideaal wilden stellen. Sensationeel was een brief van bisschop Leo uit Rome. "Christus heeft zowel een volledig goddelijke natuur als een volledig menselijke. En zij zijn één in de Persona."
De vergadering was perplex. Er werd geschorst en de bisschoppen stroomden de kerk uit, zoemend als een verstoorde bijenkorf.


lk hoopte, als iedereen, dat die wonderwoorden uit Rome de verlossing zouden brengen voor lichaam en ziel. Ik ging dat melden aan mijn keizerin.
Pulcheria keek blij: "Wat ben je vroeg. ls er nieuws?"
Ik zei: "Ja, misschien."
"Vertel, mijn jongen. Vertel."
"De paus heeft gezegd dat lichaam en ziel ieder iets heel eigens zijn, maar zich verenigen in de "Persona".

De keizerin vroeg: "Persona? Wat is dat? Dat is een Latijns woord. Wat betekent het?"
Ik dacht na. Zij liet ondertussen haar ogen over mijn lijf dwalen. Ik zei: "Ik geloof dat het wondermiddel van de heilige vader tegenvalt. Persona is letterlijk "masker". Het stamt van het oude toneel. De spelers droegen een masker, een persona. Van daarachter zeiden zij hun tekst. Sons werden er vanachter één persona twee verschillende teksten opgezegd. Uit onze persona klinkt soms de ziel en soms het lichaam met een eigen verhaal."
"Maar hoe zitten die verhalen aan elkaar?" vroeg Pulcheria. "Wat zei de heilige vader ook al weer? 0 ja, dat samengaan is een geheim, waarnaar we niet verder mogen vragen, maar waar we eerbiedig voor moeten neerknielen. Dat is de officiële tekst."
"Nou dáár hebben we wat aan" zei de keizerin schamper: "Nee jongen, we zullen zelf aan de slag moeten. Kom daarom eens wat dichter bij je gebiedster. Ach wat zie je er toch lief en jongensachtig uit. Voelt je lijf ook zo ?" Haar hand gleed onder mijn monnikspij. Ze zei: "O maar ik voel dat je toch ook al een echte man bent. Wil je bij je vorstin komen? Lieve schat." Keizerin en vijfde secretaris. Dat viel weg. We waren gewoon man en vrouw. Ze zei: "ls dit niet zuiver en schoon? En wat ben je mooi. Een jongen nog en toch een man. Schaam je niet. Wees niet bang. Ik vind het ook heerlijk. Vergeet wie we zijn voor de wereld."
Ze streelde mij en zei: "Ach, je zit je met iets? Zeg het." Ik zei zacht: "Maar een kind? Een eventueel kind?" Ze nam mijn hoofd tussen haar handen en lachte: "Jongen maak je niet ongerust. Ik ben een oude vrouw. Dat is voorbij. Daardoor kan ik nu ongestoord genieten van de liefde. En nog wel met zo'n lieve jongen als jij. Maar laten we het niet te verdacht maken. Je bent mijn koerier voor concilienieuwtjes. Laat Emilia je weer de weg wijzen naar buiten. Mijn goede soldaat zal je weer veilig thuisbrengen. Als je me naar gauw weer opzoekt. Al of niet met verlossende woorden van welke pastor of paus dan ook."

Bij mijn volgende bezoek vond ik geen weelderige vorstin vol begeerten, naar een vrouw in tranen. "Ben je daar, mijn zoon? Ik voel me beroerd. Vandaag is je baas, de officiële verslaggever, geweest. Op het concilie zijn ze weer begonnen met dat gezeur over "Theotokos", (moeder van God) als naam voor Maria. Ik zei: "Ik heb het gehoord. "De vrouw" was tot nu toe Eva, die met die appel Adam
tot de zonde verleidde. De personificatie van het kwaad dus. Maar nu willen zij er een hoog, kuis en onaanraakbaar vrouwbeeld tegenover stellen. Maria. Als voorbeeld voor het volk."
De keizerin zei: "En dan moet ik zeker ook zo'n hoog en zuiver voorbeeld worden? Of ......of is er iets heel anders aan de hand? Zouden ze iets vermoeden van ons tweeën, die papen? En daarom
opeens dit "theotokos"-gezeur?"
Ik zei: "Maria was bij die heilige geboorte in die stal misschien wel kuis of zuiver, maar daarna heeft zij op de gewone manier nog andere kinderen gekregen. Er is in de Schrift sprake van een "Broeder des Heren". Zal ik het opzoeken?"
"Nee, laat naar. Je bent lief. Maar ik ben ben bang dat mijn officiële heer-gemaal ook iets gehoord heeft. Hij zei tussen neus en lippen dat het goed was dat ik mij van het concilie op de hoogte liet houden, naar dat ik ne toch niet al te nauwkeurig moest verdiepen in de verhouding van lichaam en ziel. 0, hij mag, als man, natuurlijk alles, maar ik als vrouw ....... mag vooral "zijn eer" niet aantasten." Ik zei dat ik alles voor haar over zou hebben. Zelfs mijn leven.
Ze snikte: "0, maar dat wil ik helemaal niet. Je moet blijven leven. Weet je, ik heb er over nagedacht. Het wordt hier te gevaarlijk voor jou. Luister naar mijn plan. Ik ga een bibliotheek stichten in de oude stad Biblos. Waar ze, naar men zegt, het boek hebben uitgevonden. Dat is veilig ver weg. Daar mag je boeken verzamelen. En soms moet je je aanwinsten aan mij laten zien. Of ik ga op reis en bezoek die stad. Maar je moet hier niet neer komen. Ach lieve schat, ik zal je zo missen.
Mar ik wil nog minder dat je iets overkomt."
ln tranen namen wij afscheid. Toen ik naar mijn logies terugging, liepen er twee soldaten achter mij aan. Had Pulcheria mijn lijfwacht uitgebreid? Of liep er naast haar soldaat nu ook een soldaat van de keizer-veldheer met mij mee?
Ik zag Pulcheria voor het laatst op de eindzitting van het concilie. Het keizerlijk paar verscheen in alle pomp en praal om het laatste woord in ontvangst te nemen. In feite het woord van die nieuwlichter in Rome.
Mijn geliefde zat gekroond en behangen met juwelen op haar troon. Naast de geweldenaar-keizer, die zo vele veldslagen had gewonnen. (Tenminste door zijn soldaten had laten winnen.) ik stond als lage klerk ver achter een palmenhaag opgesteld
Het verlossende woord, dat de verhouding tussen lichaam
en ziel voor de komende eeuwen moest regelen, luidde: Onze Heer en Verlosser heeft twee naturen. één volledig goddelijk. De ander volledig menselijk. Die naturen zijn onvermengd, ongedeeld, onscheidbaar en ......"
De rest verstond ik niet, want de zeshonderd bisschoppen braken uit in één jubel, zoals dat hoort op een concilie: "Ja wij zijn het allen eens. Een wonder. Dit is het ware geloof van de vaderen en de apostelen."
Ik zag een glimp van een mantel en een kroon de zaal uitschrijden. De volgende dag zat ik op een boot. Vlak voor het vertrek werd nlj door Emilia nog een brief gebracht die bijna onleesbaar was door er over gestorte tranen.

Wij laten hier ons geheimschrijvertje achter. Hopend dat hij veilig in Biblos zal aankomen en zijn heerseres-geliefde ooit zal weerzien. Wij moeten onze pelgrimstocht door de geschiedenis vervolgen voor de verdere opbouw van onze ziel.



Sex, zonde en de Geest.

Het onvermogen der vaderen om een oplossing te vinden voor lichaam en ziel, beter dan een geheim achter een masker, wordt door sommige geschiedkundigen toegeschreven aan het uitgeput zijn van de antieke cultuur.
We hebben echter nog een belangrijk getuigenis van iemand uit die tijd. Augustinus. Hij dacht: Die kloof tussen lichaam en ziel, dat kan toch nooit de bedoeling zijn geweest van de Schepper. Nee, het was dus onze eigen schuld. In het paradijs was Adam gevallen door Eva en die schuld hebben wij allen geërfd in onze lichamelijke begeerten. ln het spoor van het opkomende monnikenwezen wees Augustinus daarom de weg naar het zoveel mogelijk verlaten van je lichaam (door ascese en celibaat). Augustinus moest daarvoor zijn geliefde (concubine heette het toen), die ook de moeder was van zijn dierbare zoon, verlaten. Hij bad: "U Heer, schenk mij kuisheid, maar liever niet meteen." Toch is het hem, na nog een diep-betreurd sexueel "bad in de zonde" werkelijk gelukt afscheid te nemen van de wereld en de sexualiteit.
Van Jezus zelf zijn geen anti-sexuele geluiden gedocumenteerd. Hij citeerde met instemming Mozes dat "man en vrouw één van vlees zullen zijn". Zijn eerste wonder verrichtte Hij op een bruiloft in Kana. De wijn raakte op en toen veranderde Hij water in wijn. Nog betere, werd er met nadruk bij gezegd, dan die de bruidegom eerst geserveerd had. De christelijke doem over lichaam en sexualiteit lijkt dus niet te wijten aan Jezus, maar aan dat ongelukkige einde van de ontwikkeling van de grote dogma's, waarbij geen oplossing werd bereikt voor verhouding van lichaam en ziel.


Niet ons hele lichaam is overigens zo ongehoorzaam aan de ziel. Vingers en voeten nauwelijks. Onze mond wat meer. Maar het meest het kleine slangetje onder aan je lijf, waarmee je als man zowel moet bewijzen dat je een stoere vent bent, als dat je iemand teder bemint. Augustinus schrijft hoe dat orgaan vaak voor zijn beurt praat. Maar ook soms tragisch dienst weigert, juist bij de hevigste verliefdheid. Hoe kijken wij, in de twintigste eeuw daar nu tegen aan? Onze sexualiteit is in honderdduizenden jaren gevormd in de evolutie. Als een manlijk dier zijn orgaan in voortdurende erectie met zich mee sleepte was het bij jacht, gevecht en trekken door de wildernis beschadigd. Die evolutie zorgde er dus voor dat het dan klein en slap bleef en zich slechts oprichtte in de veiligheid van hol of bij het kampvuur. Het reageerde dus volgens de regel: als er gevaar is, dan klein blijven". Maar diezelfde evolutie heeft onmogelijk kunnen vermoeden dat de sexualiteit zelf ooit nog eens een gevaar zou worden. En dat is wat er in onze tijden toch is gebeurd. Bijvoorbeeld, bij die allerhevigste verliefdheid dreigt gevaar. Namelijk het gevaar de geliefde niet te zullen behagen. Dus: "O, gevaar, dan klein blijven. Maar meestal is het gevaar de verbodenheid van erotiek in onze cultuur. Augustinus kende de evolutie niet. Zijn wereld was in zeven dagen geschapen. Beroemd is zijn jeugdervaring dat voor een jongen zelfgejatte harde zure kleine onrijpe pruimen lekkerder zijn dan grote zoete zachte gekregen van zijn moeder. Een bewijs voor hem hoe zondig wij van nature zijn. Augustinus' oplossing was daarom minimaliseren van het lichaamsleven. Hiertegenin zei de Britse monnik Pelagius dat je door dagelijkse training je lichaam wel degelijk onder commando van de ziel kon brengen. waardoor het zijn falen bij topliefde zou opgeven. En dat het ook zou lukken teveel eten, drinken, en andere lichamelijke onmatigheid onder controle te krijgen. Augustinus heeft de arme Engelsman verbaal verpletterd. Hij zei: Als het je zou lukken je lichaam onder controle te krijgen, dan zou je het in deze wereld afkunnen zonder God. wat een vreselijke hoovaardij! Nee, zei Augustinus, waneer je lichaam harmoniëert met je ziel, dan is dat alleen dank zij de Genade Gods. Er is geen verdienste.
De Kerk heeft haar kerkvader hier niet gevolgd. Zlj stelde en stelt nog steeds dat wij leven afhankelijk van de Genade, maar toch ook zelf wel wat goeds kunnen doen. Het zogenaamde "semi-Pelagianisme".

Het sacramentele systeem als voorlopige oplossing vanhet lichaam-ziel-probleem.


Met het "semi-Pelagianisme" zijn we een belangrijke historische grens overgegaan. Want het Europa van de vroege middeleeuwen had weinig boodschap aan het probleem van lichaam en ziel. Het zieltogende Romeinse rijk werd overstroomd door barbaren: Vandalen, Avaren, Oost~ en Westgothen, Bourgondiërs, Longobarden, Saksers en nog vele andere woestelingen. Om in die chaos sexuele beheersing of ascese te prediken had weinig zin. Eerst moest het ergste vechten en moorden maar een beetje ophouden. Daarvoor trokken vanuit de paar kloosters die nog over waren in Ierland en Schotland missionarissen met bijbel en wijwaterkwast als wapen de ruige binnenlanden van Europa in. Ze sneuvelden er soms zoals onze Bonifacius, maar slaagden soms ook wel, gelijk Willibrordus, de eerste bisschop van Utrecht, er in hier enige vrede te brengen.

Vanuit Rome werd verder getimmerd aan de ziel. Paus Gregorius de Grote beval aan dat je niet alleen op je ziel moet concentreren, maar ook af en toe kijken naar wat je lichaam doet. Om dat lichaam te helpen smeedde hij een nieuw kerkelijk wapen: het sacrament. Er waren al twee rituelen die zo heetten: de doop en het avondmaal. Er werden bijgemaakt: huwelijk, wijding, kroning, laatste oliesel en een grote serie mindere maar ook sacrale stempels op het leven. Bij het huwelijk werd de begeerte van het lichaam vereend met hogere bedoelingen van de ziel. Bij een kroning werd de heersersmacht (hopelijk) wat getemperd door hogere bezieling. En zo kwam alles onder priesterlijke controle. Gereedschap, huizen, zelfs je zwaard, waren pas bruikbaar na een sacrale zwaai met de wijwaterkwast. De oogst was pas voedsel na gewijd te zijn. leder zakelijk contract behoefde een kerkelijk stempel. En hoog boven de kleine huisjes van de stad beierden de klokken van de kathedraal om je voortdurend te herinneren aan het hogere. (Dorpjes bleven nog eeuwen heidens.)
Het allerbelangrijkste sacrament werd echter de boete: als je weer eens je buurvrouw had gekust, of erger, moest je dat biechten en je bedoeling van haar af te blijven vernieuwen. Kooplui die bedrogen, ridders die weer eens een tik te veel hadden uitgedeeld met zwaard, lans of goedendag, konden dit met biechten ook weer in het reine brengen. Dat lijkt niet veel, maar zo'n rabauw, echtbreker of soms zelfs over de schreef gegane keizer, moest toch maar even zeggen dat hij het het niet goed gedaan had. Dit beschavingsoffensief heeft van de derde wereld die hier heerste het beschaafde continent gemaakt dat wij nu kennen.

De verdere uitwerking van de Triniteit in de middeleeuwen.


Toen met sacramenten en kleinere wijdingen de kloof tussen lichaam en ziel (voorlopig) was overbrugd is de middeleeuwse kerk verder gaan breien aan een ander los eind aan de ziel waar de oude kerkvaders ons mee hadden laten zitten. De verhouding verstand en gevoel was geregeld in Nicea (als Vader en Zoon). Met je verstand tast je eerst met de normen je leefsituatie af en laat dan je gevoelens toe. En van daar uit bepaal je je gedrag. Maar hoe zat de Heilige Geest (van de waarden) nu precies in die Drie-eenheid?
Het oud-kerkse credo zei: De Geest gaat vanuit de Vader naar de Zoon. De theologen na Karel de Grote vulden dit aan met "en hij gaat ook van de Zoon naar de Vader." De weigering om dit ook er ook bij te nemen is de aanleiding geweest dat de Grieks-Orthodoxe Kerk zich afscheidde van de Rooms-katholieke. Op Russische iconen vliegt de Heilige Geest nog steeds als een wit duifje van de Vader naar de Zoon omlaag. Terwijl je op veel West-europese altaarstukken die duif met zijn vleugels Vader en Zoon ziet "omvatten". (Mooie illustraties hiervan zijn de Retable van Boulbon in het Louvre in Parijs , de "Trinität" van Hans Baldung Grien in de National Gallery in Londen, de "Heilige Dreifaltigkeit" van Jodocus Vredis in Münster, het kerkraam in Chartres van de Drie- eenheid en het "Allerheiligenbild", een ets van Albrecht Dürer). Zulke "plaatjes" spreken een helderder taal dan de folianten uit die tijd. En dat moesten ze ook wel. Geletterden waren maar een kleine minderheid onder de gelovigen. Voor de vele analfabeten was het minstens even belangrijk hoe je moest omgaan met de waarden die de Heilige Geest vertegenwoordigde. Je ziet: Hij zweeft achter of boven de Vader en de Zoon en spreidt zijn vleugels zo uit dat Zij als het ware "onder hem" vallen. Wat soms zelfs met gouden stralen is aangegeven. En zo is het precies als het ook binnen onze ziel behoort toe te gaan. De waarden komen eerst. Verstand en gevoel vallen erbinnen of eronder. Je tast niet eerst je levenssituatie af met je verstand em laat dan pas waarden gelden. Als je een winkel binnengaat ga je niet eerst rondkijken en dan pas beslissen of je eerlijk zult zijn. Dat heb je veel eerder gedaan. Eerlijkheid, oprechtheid en de andere waarden gaan aan iedere situatie en gevoel vooráf. Je hoort alleen die verstandelijke overwegingen en gevoelens toe te laten die binnen de Waarde vallen.


Dat de Waarde eerst komt en zich moet uitstralen over verstandelijke normen en het gevoel was een revolutionaire precisering door Carolingische theologen. Bij een beslissinq_gelden dus de Waarde eerst. Van daar uit tast je met je verstand de regels van je levenssituatie af. Daarmee vind je binnen die situatie een ruimte waarin je vrij bent om vanuit je gevoel verder je keuze vorm te geven.

Wat de middeleeuwer uitdrukte op altaarstukken met duif, Vader en Zoon kan nu met wiskundige functienotatie nog scherper worden uitgedrukt.

Heilige Geest(God de Vader(de Zoon(bedoeld gedrag))) V ( C ( F ( p ))) Waarde-(Context met normen(Emotionele impuls(Bedoeld gedrag)))

Deze structurele samenhang van waarde, normen en emotionaliteit is sindsdien de de onveranderde basis van Westerse moraal gebleven. Dat wil zeggen van de structuur waarmee een persoon in zichzelf met waarde, normen en gevoel de bedoeling tot een handeling hoort op te bouwen.

Zij het dat na zo'n innerlijke aanzet tot eeen handeling (bedoeld gedrag) steeds weer het ziel-lichaam-probleem weer opduikt. Waarvoor de middeleeuwse kerk haar oplossing had in het zich steeds uitbreidend instrumentarium van sacramenten en kleinere wijdingen. Allemaal rituelen waarin iemands bedoelingen openbaar naar de gemeenschap werden getoond. Van de koopman om zich aan zijn kontrakt te houden, van de koning om zich christelijk te gedragen en van de echtgenoot om zijn echtgenote trouw te blijven. Daarmee is in zo'n duizend jaar op de puinhoop van het ingestorte Romeinse rijk het morele fundament gelegd voor het moderne Europa dat wij nu kennen.



Mystiek versus Scholastiek. Verstand versus emotie. Gemorrel aan de Drie-eenheid.


Hoewel de drie-eenheid van waarde, verstand en gevoel de basis is gebleven van de Europese moraal is er toch steeds weer geprobeerd er aan te morrelen. Voornamelijk in de zin dat er op een van de termen verstand en gevoel teveel de nadruk werd gelegd ten koste van de andere. Het eerste voorbeeld is daarvan het konflikt tussen de Scholastiek en de Mystiek. In de Scholastlek werd de nadruk gelegd op vooral logische en betrouwbare kennis. Deze had je immers nodig om het Vaderlijke deel van de Triniteit in je goed te laten functioneren: het kennís nemen van je materiële kontext en de regels. Dit verstandelijke deel ging ergens in de middeleeuwen wegdrukken de emotionaliteit waarmee je als fijnregeling je handelen stuurt. Tegen deze verschraling van de moraal verscheen een even overdreven tegenbeweging: de Mystiek. Verstand, lichamelijkheid, de materiële wereld om je heen, dat moest allemaal weg. Als ideaal verscheen in je door vasten en sex-onthouding uitgemergelde ziel God zelf. Verstand, redenering en boeken had je niet nodig. Alleen een kloostercel, een harige pij en een strozak. Eventueel nog een gesel.

Voor deze krachtmeting tussen mystiek en rede kruip ik weer in een tijdgenoot. Ik ben de derde zoon van een landedelnan. Mijn oudste broer volgt mijn vader op als graaf. De tweede is in krijgsdienst bij de koning en ik was, zoals het hoorde, van jongs af voor de Kerk bestemd. Op mijn dertiende werd ik (na tranen van mijn moeder) als novice bij het klooster afgeleverd. Mijn strozak was de eerste nachten ook nat van tranen. Toen ik wat gewend raakte echter van iets anders. Op mijn buik vond ik een kleverige vloeistof nadat ik gedroomd had van mijn zusje Anna. Maar vooral van, achter haar, het lachende, door krullen omlijste gezicht van haar vriendin Angelique. Mijn biechtvader zei dat ik deze zonde kon bevechten door mij te verdiepen in het Lijden van de Heer. Ik kreeg een cel waar Zijn passie was geschilderd. Bloed droop levensecht vanonder zijn doornenkroon en stroomde uit de lanswond in zijn zij over zijn voeten tot vlek bij mijn bed. Maar als ik na mijn gebeden in slaap viel richtte mijn mannelijk lid zich toch op loosde zijn zondige zaad weer bij Angelique's lieve gezichtje. Aan mijn penitentiën werd zware akkerarbeid toegevoegd. Wat alleen maakte dat ik pas tegen de Netten gewekt werd door de gloed in mijn buik. Ik werd bij de abt geroepen. Hij zei: "Mijn zoon, we gaan het anders proberen. Je krijgt intellectuele arbeid.” Op een zaal waar monniken handschriften stonden te copiëren, moest ik eerst de zaal aanvegen en verf vijzelen voor de prachtige miniaturen, waar zij hun pagina's mee aanvingen. Zo leerde ik letters en mocht mijn eerste teksten overpennen. Ik wierp mij verwoed op de woorden van de Schrift en de Vaders. De gloed van mijn buik verplaatste zich daardoor inderdaad een beetje naar mijn hoofd. Het duurde echter niet lang of ik had alle handschriften van ons bescheiden kloostertje achter de kiezen en weer dreigde de verveling, die des hete duivels oorkussen was. De abt riep mij weer bij zich: ”Jongen, je hebt je met je ijver van al onze geschreven rijkdommen meester gemaakt. Meer hebben we niet. Daarom ga je weg. Je mag je studiën voortzetten aan de kloosterschool van de grote meester Anselmus in Laon. Daar hebben ze boeken waar je voorlopig niet doorheen bent."
Wat een ander leven in de grote stad. Ik liep met vele andere uitverkoren novicen college. Grammatica, rhetorica, dialectiek, het trivium. Later arithmetica, geometrie, astronomie, en muziek, het quadrivium. Het duizelde mij. En hoewel in mijn nachtbeelden nu naast Angeligue's beeltenis soms ook meisjes verschenen, die ik tegenkwam op de markt, verdeelde de vroeger in mijn penis geconcentreerde hitte zich over mijn lichaam, een blos in mijn gezicht, tintelen van mijn handen en een warm gevoel achter mijn borstbeen. En in slapeloze uren kon ik mij afleiden door denken aan het intellectuele wonder dat ik ontmoette. De lessen in godgeleerdheid van de grote meester Anselmus zelf. Wat schitterend was het dat God ons in de H. Schrift minitieus alles over wereld en hemel in handen had gegeven wat wij moesten weten. En dat dan nog eens uitgelegd in de boeken van de kerkvaders. lk leerde en leerde tot mijn hoofd gloeide en dat van mijn lijf overstemde.
Door een schokkende gebeurtenis werd dit paradijs voor mij gesloten. Tussen de vele nieuwe studenten die steeds weer verschenen kwam er één, waarvan wij wisten dat hij al een zekere faam had als magister in Parijs. Pierre Abélard. Hij schaarde zich in het begin, zoals wij, rustig in het gehoor en schreef ook de begenadigde woorden van de meester op. Na een paar weken echter waagde hij het de grote man een vraag te stellen. Dat gebeurde sporadisch wel eens meer. Anselmus keek verbaasd op van zijn katheder en wees vriendelijk de vraagsteller terecht. Daarna gebeurde het vaker en vaker dat Abélard recht ging staan met zijn vragen. Tot het tot ons doordrong dat het geen vragen meer waren maar kritiek. Hoe durfde hij? Aanvankelijk ging onze grootmeester er rustig op in, naar allengs reageerde hij geïriteerd en zelfs vinnig. Er kwamen dagen dat hij onverwacht geen college meer gaf. Boze tongen zeiden dat hij verward was door de kritiek van Abélard. Op die dagen gebeurde het dat de jonge opponent zelf lessen aan ons begon te geven. Abélard opende onze ogen ervoor dat de overgeleverde geschriften niet één hermetisch blok waarheid waren, maar dat er tegenstrijdigheden in voor kwamen. Hevige ontsteltenis bij ons, jonge monniken. En inderdaad zelfs in de Schrift komen ze voor. De heilige apostel Paulus zegt immers in zijn brief aan de Romeinen, dat het alleen op de innerlijke gezindheid aan komt en dat "de werken" er niets toe doen. Terwijl in de brief van de heilige Jacobus staat dat pas het in overeenstemming zijn van de werken met de intentie van de ziel de crux voor het goede is. Deze tegenstellingen in de canonieke schriften, zei Abélard, noopt ons er toe de rede in te schakelen, om uit de heilige overlevering weg te wieden wat niet klopt. De rede als dienstmaagd, of zelfs als meester van de theologie? Verwarring alom. Een gedeelte van mijn jaargenoten bleef onze oude meester trouw. Anderen, waaronder ik, werden zo gefascineerd door de rijzende ster van de nieuwe magister, dat wij hem, na zijn breuk met Anselmus, volgden naar Parijs. Wij hingen aan zijn lippen samen mét (de allermeest verwarrende ervaring) de nicht van de kanunnik Fulbert, de schone Heloïse. Waarvan wij hoorden dat zij in het geheim Abélards minnares was. Zou hij ons, jonge theologen, dus misschien niet alleen bevrijden van de letterterreur van de vaderlijke teksten, maar ook van het célibaat? Zou hij ons leren dat de godgewijde rede misschien niét strijdig is met de aardse liefde?
De gloed in mijn buik laaide weer op. Nu niet meer als zonde, maar als mogelijk instrument om lief te hebben. Meisjes op de drukke straten en pleinen van Parijs glimlachten soms naar mij, ondanks mijn pij en tonsuur. Ik leerde er een zelfs goed kennen. Mijn Denise, die mij in een eethuis bediende en daarna uitnodigde op haar kamertje. Lachend en kussend overwon zij in een keer al mijn schroom. Bij haar wonend in het logement volgde ik daarna de lessen van Abélard. Tot alles overschaduwd werd door dat vreselijke. De oom van Heloïse, de donkanuunik, had van hun liaison gehoord en wilde zich wreken op de oneer zijn nicht aangedaan. In zijn opdracht en betaald door hem zijn een paar onverlaten 's nachts het huis van Abélard binnengevallen en hebben zijn geslachtsorgaan afgesneden. De schurken zijn gevat en ik heb samen met duizend Parijzenaars gezien hoe zij als straf dezelfde kwetsuur ondergingen en hen ook nog, krijsend, de ogen uitgestoken werden.
Abélard en Heloïse (onze godin) vluchtten ieder naar een ander ver klooster. Ook daar werd het Pierre het leven zo zuur gemaakt dat hij zich tenslotte volstrekt eenzaam vestigde in een onherbergzane streek bij de Ardusson. Enkele van zijn leerlingen, waaronder ik, zijn hem daar gevolgd. We hebben er met onze eigen handen van leem en riet hutten gebouwd en voedsel gekweekt voor onze meester. Zijn lessen werden weer geïspireerd als vroeger. Wij leerden dat de heilige teksten door hun onduidelijkheden en tegenstrijdigheden de rede juist uitnodigen tot onderzoek. Door discussie daarover komt de geloofswaarheid duidelijker aan het licht dan door het slaafse nemoriseren van vroeger.
Weer kwamen vele leerlingen van heinde en ver toegestroomd, en moesten wij ons bescheiden toevluchtsoord, de Paracleet (de Trooster), uitbreiden tot een klooster. Door dit succes werden ook weer oude vijanden van Abélard wakker, zodat hij weer vertrekken moest. Hij liet de Paracleet aan Heloïse, inmiddels abdis, met haar kloosterzusters. Hij heeft de strijd voor de rede in dienst van God schrijvend en studerend alleen voortgezet.
Ik heb mij teruggetrokken bij de warme haard en omhelzing van Denise. Wij drijven een gasthuis waar reizigers en pelgrims een goed maal en luizenvrij bed vinden. Toch ben ik op mijn oude dag nog eenmaal naar mijn oude meester toegesneld. Hij werd op een concilie in de stad Sens als ketter aangeklaagd door de grote heilige mysticus Bernard van Clairvaux. Die had ik ook eens bezig gezien bij zijn vurige pleidooien voor de tweede kruistocht. Aangespoord door het mystieke vuur van zijn woorden en de bovenaardse glans uit zijn ogen zijn duizenden en nog eens duizenden naar het Oosten getrokken. Boertjes, schoenlappers, maar ook wel echte soldaten, die dachten dat het vroom was om Mohammedanen te gaan doden. Toen bijna al die kruisvaarders door de Turken moeiteloos over de kling gejaagd waren zei de mysticus dat het zo misschien nog beter was omdat nu in de hemel het aantal martelaren enorm toegenomen was.
Bernardus moest van de rede dus niets hebben. Deze was hoogstens een onbetrouwbare begeleider van het geloof, maar waarschijnlijk zelfs de vijand ervan. En trouwens vrijwel overbodig. Door standvastig vasten, vermoeien en kwellen van het lichaam verscheen na gebed immers de Heer zelf met al zijn licht in je ziel. Dat Abélard de rede inschakelde om het geloof te verhelderen was dus duivelswerk. Omdat de grote mysticus van de rede afstand had gedaan vreesde hij echter dat hij het bij de meester op dat wapen, Abélard, wel eens moeilijk zou kunnen krijgen. Bernardus voorkwam dit door voor het concilie alle bisschoppen en de pauselijke legaat zoveel slechts over Abélard te vertellen, dat deze bij de opening van het concilie, nog voor hij iets zeggen mocht, al veroordeeld werd. Gebroken en ziek stierf hij kort daarna.



Aan Bernardus herinnert een groot kruis bij Vézelay, vanwaar hij in 1146 duizenden mensen een zinloze dood in een kruistocht heeft ingestuurd. Terwijl op het beroemde Père Lachaise-kerkhoí in Parijs de plattegrond je de weg wijst naar "beroemde gelieven". Daar liggen Abelard en zijn Heloíse, eindelijk vereend. Zij het onder een zerk. Er worden nog dagelijks verse bloemen gelegd. Meestal, denk ik, door Parijse verliefden, maar, hoop ík, toch ook door een enkele late intellectuele bewonderaar, zoals ik. Want in die “duistere middeleeuwen" heeft toch niet de mystiek gewonnen, maar de rede. Of liever gezegd het evenwicht tussen emotionaliteit en rede. Iets van de middeleeuwse mystiek, het onmiddellijk intuïtief schouwen van het wezen van het heelal, beleeft onze ziel nog wel in een stille zonsondergang, een storm op zee of in de ijle tinteling van een winterlandschap. Maar verder kennen wij onze wereld door de rede, zoals die na Abélards dood haar zegetocht is begonnen. Voor een monument dáárvan neem je, als je toch in Parijs bent, de metro naar "St Denis Basilique." Die kathedraal is opgetrokken onder een jongere tijdgenoot van Abëlard, Suger. Hij is de overgang van de Romaanse bouwstijl naar de gothiek. Van zware duistere geslotenheid naar hoge heldere lichtheid. Van anti-rationele ingekeerdheid naar redelijke openheid voor de wereld. De triomftocht in steen en glas: Chartres, Reims, Amiens, Beauvais en vlak bij aan een andere metro-lijn, nog het kleurrijk hoogtepunt de Sainte Chapelle waarin toch ook de emotionele kant zijn ruimte krijgt in licht en kleur en vorm.
Niet alleen de bouwkunst weerspiegelde Abelards geest. Ook de muzikale ontwikkeling. Het oude eenstemmige Gregoriaans kende slechts een gesloten monolithische waarheid waar geen discussie over mogelijk was. Maar zoals Abélard elkaar tegensprekende teksten verstandelijk liet vechten om de waarheid (de dialectiek), zo hoor je na 1215 in de fuga's van de Parijse school verschillende stemmen elkaar contrapunktisch tegenspel gaan leveren. Diezelfde basiliek van St Denis is, ongewild, ook een gedenkteken in dié ontwikkeling. Hij is gewijd aan Sint Denis, een plaatselijke heilige, die men toen echter abusievelijk identiek achtte met Dionysius de Areopagiet, een van de grootste falsarissen van de geschiedenis. Hij was een monnik in de vijfde of zesde eeuw, die om zijn geschrijf meer gewicht te geven beweerde dat hij de enige leerling was die Paulus in het geleerde Athene maakte toen die het Evangelie daar (overigens tevergeefs) predikte bij de Areopagus-heuvel. Dionysius' geschrift heeft, vanwege het grote gezag ontleend aan de gelogen apostolische herkomst, een enorme mystificerende invloed gehad op het vroege Europese denken. Dyonisius zei namelijk dat de dingen hier beneden alleen bestonden omdat God ze voortdurend dacht. Waardoor het volgens mystici beter is in ascese je ziel te laten volstromen met Gods gedachten, dan zelf wetenschappelijk uit je ogen te kijken. Toch heeft de kerk deze duistere leer later niet meer gevolgd. De allergrootste katholieke kerkleraar Thomas van Aquino heeft met Abelards dialectische methode de dogma's van de Drie-eenheid en Chalcedon vertaald in wetenschappelijke formules. Welke, in de latere veralgemening ervan de basis werden voor onze moderne wetenschap.

De mystieke "tegenpartij" (Ruusbroec, Anna Bijns, Hadewych, e.a. bij ons.) is in haar grote kampioen Meister Eckehardt door de kerkelijke hiërachie veroordeeld. De fout van de de mystici was dat zij begonnen met zich te verdiepen in hun emoties. Terwijl dat volgens de grondwet voor onze cultuur (Nicea-Constantinopel) juist andersom hoort te zijn. eerst met het verstand je levenssituatie aftasten en dán je gevoel je oordeel laten voltooien. (De Zoon komt na de Vader.)


De "ecclesia triumphans". De triomferende kerk en haar neergang.

Het christendom had met haar zachte "wapens" prediking en gebed van het woeste heidense Europa een beschaafd continent gemaakt. Door haar succes kreeg zij echter steeds meer macht. En macht corrumpeert. In alle dorpjes en steden werd de kerk het grootste gebouw. Bisschoppen werden kerkvorsten met legers en paleizen. Het pausdom kreeg soms meer macht dan de keizer.
Op dorpsniveau beheerste de kerk het leven van de gewone mens. De sacramentalia, waarmee oorspronkelijk veel moord, diefstal en verkrachting was getemd, ontaardden in een kruidenierssysteem waarmee ieder levensdetail werd begeleid. Een van de krachtigste dreigmiddelen waarmee de kleine man klein werd gehouden werd het vagevuur. Dit, wat ook maar nergens in bijbel of vaderlijke geschriften te vinden viel, werd uit de priesterlijke duim gezogen. Al je zondetjes, een keertje zelfbevlekking, een lik uit de suikerpot, een leugentje voor bestwil, werden opgeteld en verlengden je lijden na de dood in dat vagevuur. Daar moest je tot het Laatste Oordeel in spanning afwachten of je dan eindelijk naar de hemel mocht of toch ook nog eeuwig in de hel moest branden. Hoewel die eindbeslissing aan de Heer was voorbehouden vermocht je priester toch nu al heel wat af te dingen van je lijden in dat vagevuur. Gebeden, centjes in het offerblok, alles hielp. Zelfs (tegen betaling) missen laten lezen voor je overleden verwanten kon hun pijnlijke verblijf in het Vagevuur bekorten. Het gekste werd het toen je van je priester al korting op je vagevuurtijd kon kopen voor zonden die je nog van plan was te gaan doen.
ook economisch werd de kerk een grootmacht. Monniken hadden in het begin woeste gronden ontgonnen en (vooral bij ons) wilde wateren drooggelegd. Maar allengs viel er met op het doodsbed afdreigen van erfenissen meer grond te verkrijgen dan met de spade. In sommige streken bezat de kerk meer dan dertig procent van de goede akkergrond. En dan nog vaak traditioneel vrij van de belastingen, de tienden, waaronder de gewone boeren zuchtten. Verder vielen zaken die nu onder de staat vallen zoals burgerlijke stand (huwelijk en doop), de medische zorg, onderwijs en wetenschap onder beheer van de kerk. Zoals bekend, kan een aanvankelijk idealistische organisatie bij het uit zijn voegen groeien van zijn macht een kwaadaardige reus op lemen voeten worden. (In onze dagen is de communistische partij in sommige landen daar een voorbeeld van geweest.) waar het christendom werd gesticht door martelaren, trok het in het hoogtij van de middeleeuwse theocratie juist de verkeerde mensen naar de top, machtswellustelingen, wreedaards en zakenmensen. Er waren wel tegenkrachten, die steeds de oorspronkelijke eenvoud wilden herstellen. De decadent geworden orde van Cluny moest het estafettestokje van de beschaving overgeven aan de monniken van Gïteaux. Maar deze eerst zuivere monniken moesten, ook later verloederd, de kruisbanier overgeven aan de bedelorde van de Dominicanen, tot die van de macht geproefd hebbend deze ook trachtte vast te houden met machtsmiddelen.
Tegen deze ontwikkelingen rees verzet. De Waldensers, Catharen en andere plaatselijke pogingen om de zuiverheid van het oorspronkelijke Christelijke geloof terug te vinden. Deze werden voor de zestiende eeuw vrijwel alle bloedig uitgeroeid. Maar wat nu de Hervorming heet, had wel succes en verdreef grotendeels het katholicisme uit Noordwest-Europa. Waarna de katholieke Kerk zich in Zuid-Europa hergroepeerde en zichzelf zuiverde in de Contra-Reformatie. (Trente)



De Hervorming.

Voor ons staat bij "Hervorming" de naam Maarten Luther. Luther spitte onder middeleeuwse kerkelijke Toren van Babel de oorsprong van het christendom weer boven. In het authentiekste deel van het Nieuwe Testament, de echte Paulusbrieven (er staan ook valse in de bijbel) staat dat goed en kwaad neerkomt op de innerlijke gezindheid waarvoor Jezus ruimte had vrijgemaakt door het oude Joodse schema "als situatie....., dan ....." te verruimen tot "als situatie..... en gevoel ....., dan.....". Deze innerlijkheid was echter in de late middeleeuwen bedolven onder gouden monstransen, diamanten miskelken, wierrook en kazuilels. Luther haalde echter weer naar boven dat het ging om je innerlijk, je ziel. Om daarover te horen gingen de eerste Hervormden, liever dan naar de mis, zo nodig buiten in de regen staan luisteren naar "hagepreken". Tot er, ja helaas, ook in de Hervorming weer maatschappelijke macht te veroveren viel. Kloosters werden ontmanteld. Kerkelijke bezittingen geroofd. Waarvoor de relzoekers en dieven al snel aanstroomden. Helaas is ook Maarten Luther na zijn eerste theologische gouden greep niet zuiver op de graat gebleven. Hij mocht de keizer toespreken over zijn ideeën. Hij is door een Duits vorstje, dat hem goed kon gebruiken voor zijn verzet tegen die keizer, gekidnapt en onder de naam "Juncker Jörg" opgeborgen op een kasteel. Luther is zo verguld geraakt door al die adellijke aandacht dat hij zich slechts verder gericht heeft “An den Christlichen Adel". Over de arme boeren, die in opstand kwamen omdat zij ook wel een stukje vrijheid wilden en iets van de kerkelijke gronden en rijkdommen, schreef Luther: "Sla ze dood. Dat is godewelgevallig werk." Die boeren zijn dan ook in 1525 door de heren massaal afgeslacht. Daarom kies ik om in de huid van een tijdgenoot de hervorming te volgen een eerdere hervormer. Jan Hus in Tsjechië. Niet zo geniaal, maar zuiverder en integerder. wat hem zijn verschrikkelijke einde gekost heeft.


Ik ben in die tijd een studieuze jongeling van gegoeden handelshuize in de Zuidelijke Nederlanden. (We komen al dichter bij huis.) Hoewel ik de oudste zoon ben leidt mijn jongere broer de zaken. Hij heeft meer flair voor de handel. Ik krijg een wetenschappelijke opvoeding. Niet meer alleen Latijn en de kerkvaders, maar ook oude heidense classici. En ik mag de grote opvoedingsreis maken van welgestelde jongelui. Ik heb even in Parijs colleges gehoord, naar door de onrust van de oorlog met Engeland ben ik te paard en met mijn dienaar op een muilezel over de Alpen getrokken. In Italië vielen mij verbaasd de ogen open. Niet alleen voor de monumenten van de oudheid, naar nog neer voor de bouwwerken en de schilderkunst waarmee men bezig was De Ouden te overtreffen. Enorme marmeren gevels boven zuilenrijen. Grote naakte beelden. Daartussen een bont feest- en zakengewoel, waarbij mijn eigen gothische Vlaamse stadje een stil dorp leek. Er werden mij zijden stoffen uit Azië aangeboden. Lakwerk uit China. En in het gasthuis waar wij neerstreken, scheen als vanzelfsprekend een courtisane mijn bed te delen. Bij de domkerk, zo groot als een berg, was een bibliotheek, zo groot als bij ons thuis de hele kerk. Men las echter niet alleen autoriteiten, zoals wij doen, men bestudeerde hier de dingen zelf. Boven ons was niet de hemel, naar een oneindige ruimte met vele aardes, zoals de onze. Diep in die aarde gravend was men niet de hel tegengekomen, maar overblijfselen van volken en leven veel ouder dan de vierduizend jaar, die de aarde volgens de bijbel oud is. Duizelend en met een pak boeken reisde ik naar huis. Vanwege geruchten over pest en oorlogen ging ik overzee. In Engeland kreeg ik nog de grootste schok. Van een rondtrekkend priestertje, een volgeling van Wycliff. In Italië leek de moederkerk te delen in de nieuwe grootsheid van het leven. Het geweldige koepels, rijzende torens, schitterende Madonna's, en heiligenreliëfs. Maar die eenvoudige man in Engeland opende mij de ogen ervoor dat de apostelen te voet gingen en de eerste gemeenten in gezegende armoede leefden. Dat stond in de bijbel, die ik zelf, merkwaardig hè, nooit gelezen had. Alleen erover. Maar inderdaad, Wycliff had gelijk. Over biecht, heiligen, reliquiën, ja over de hele kerk, zegt Jezus eigenlijk niets in de Schrift. Alleen dat we moeten worden als kinderen, onze vijanden liefhebben en zo. Thuis werd ik ontvangen een beetje als de verloren zoon. Er was jalouzie over het interessante dat ik had mogen meemaken, maar ook veel warmte en blijdschap. Toen ik in de familiekring uitverteld was mocht ik zelfs in de Raad komen. Een van de oude burgemeesteren onderbrak mijn schildering van Florence en Rome met de vraag wat de Heilige Vader daar toch wel deed met al die belastingen die wij hen uit onze noordelijke streken stuurden. Ik vertelde over marmeren kerken en gouden altaren. Na een ongemakkelijke stilte ging ik maar over op nieuwe instrumenten om te weven en de plaats te bepalen op zee. Ik vertelde maar helemaal niet over die kerkvorsten die ik openlijk met hun rijkgeklede concubines had zien uitrijden naar grote feesten. Ook bij ons had menige dorpspastoor wel zijn huishoudster die voor meer zorgde dan het eten, maar hier bleef uiterlijk alles in het nette.
Toen iedereen mijn verhalen meermalen gehoord had werd mijn broer, de handelsman wat korzelig. Hij vond dat ik ook maar eens wat nuttigs moest gaan doen. Maar aan de andere vreesde hij dat ik hem met mijn wijsneuzigheden naar de kroon zou gaan steken. Iedereen was dus opgelucht toen ik zei dat er één plaats was waar misschien wel het allerinteressantste gebeurde in Europa. In Praag, waar men de leer van de Engelse priester Wycliff uitbouwde tot sociale realiteit. Door mijn vertrek werd dus een broeiende broedertwist vermeden. De enige die er geen vrede mee scheen te hebben was de roodharige en blauwogige Margherita, dochter van het na ons grootste en feitelijk concurrerende handelshuis ter stede. Ik zag tranen in haar ogen toen ik op mijn paard klom en wierp haar een misschien wel te opzichtige kushand toe.
Praag. Een stad met gouden torens en een verbluffende universiteit. In de Bethlehemkapel vond ik wat ik zocht. Kapel was een misleidend woord. Er konden wel drieduizend mensen in. Er waren geen beelden en er was zelfs geen altaar. De kerkdienst bestond alleen uit het gesproken woord en wel in de volkstaal. Behalve het latijn ontbraken ook het wierrookgezwaai, belgerinkel en gesjouw met relieken van de Italiaanse kerken. Doodstil aanhoorde de volksmenigte magister Jan Hus. Hij hekelde fel de misstanden in de kerk. De simonie en het nicolaïsne. (Het verkopen van kerkelijke ambten aan de meestbiedende en het samenleven met vrouwen door de clerus.) Naar ook spoorde hij zijn gehoor aan zelf een deugdzaan en barmhartig leven te leiden. Bij de gewone mensen op de markt ontmoette ik een een diepe eerbied waarnam voor Hus. Minder sympathie had hij bij de priesterstand. Haren zij jaloers op zijn gehoor? Er speelde juist de kwestie Wilsnack. Een stadje in het trotse bezit van enkele druppels bloed van Christus. Hus zei echter dat dit bedrog moest zijn en dat het bovendien niet ging om materiële uiterlijkheid maar om de gezindheid van je ziel. Behalve bij de priesters zette hij ook kwaad bloed bij de handel, die minder toeloop van bedevaartgangers vreesde. Rome ontbood enkele van Hus' vrienden en zette dezen (met martelingen, zei men) onder zo'n druk dat zij Hus afvielen. Hij werd veroordeeld en moest onderduiken op het platteland. Daar bleef hij in het geheim preken over de noodzakelijke zuivering van de kerk.
Diep onder de indruk keerde ik terug naar Vlaanderen. In mijn vaderstadje kreeg ik over zuivering van de kerk en terugkeer tot het bijbelse christendom nog wel neer gehoor dan voor mijn verhalen eerder over de gouden schittering van de Renaissance in Italië. Ik kreeg er daardoor oog voor dat ook bij ons het gewone volk zuchtte onder zware kerkelijke belastingen en ik ging ook twijfelen aan de hele santenkraam van missen, aflaat en relieken.
Mijn eigen patritiërsstand ging vrezen voor sneulend verzet tegen hun privileges. Ik werd ontvangen door de oude heer Ulrich, nestor van de Raad en hoofd van het met onze familie concurrerende handelshuis. Hoewel hij ook verzwagerd was aan mijn moeder. En, nog veel opwindender, hij was ook de grootvader van de schone Margherita, die steeds vaker in mijn dromen verscheen en soms bloosde als mijn oog op haar viel op straat. De oude man ontving mij gezeten in zijn fluwelen mantel bij een warm haardvuur. Hij zei: "Beste jongen wij moeten eens ernstig praten.” Mijn hart klopte en het bloed schoot naar mijn hoofd. Haar de patriarch begon niet over zijn kleinkind, maar over de misstanden in de kerk en de onrust bij het volk. Hij zei: "Het is duidelijk dat jij als geen van ons weet hebt van de geest van de tijd en geïnspireerd bent om tot veranderingen aan te sporen. Je weet ook dat wij, onze families, de woelingen van deze tijd vrezen. Dat zij de rust voor de handel zullen verstoren. Risico's voor onze investeringen. Daarom zul jij de man zijn die, weet hebbend van onze belangen, naar ook van de noodzakelijke hervorming van geloof en kerk, leiding gaat geven aan de ontwikkeling in onze streek. Wij, de Raad, hebben jou op het oog als opvolger van onze oude bisschop. Jij kunt de toon treffen van de nieuwe reformatorische gezindheid en tegelijkertijd onze zakelijke belangen in het oog houden."
Het zweet stond in mijn handen. Ik zag de vlammen als duivels voor mij dansen. lk zei: "De Raad ... mij op het oog .... als bisschop? Maar die wordt toch benoemd door de paus?” "Door de paus?” gromde de grijsaard: "Welke paus?” Hij had gelijk. De grootste kerkelijke misstand was dat er drie pausen tegelijk waren die elkaar de Roomse tiara (drie-rijige kroon) betwistten. Het noorden, intriges en soms met de wapens. één in Avignon, feitelijk de gevangene van de Franse koning. Een andere, was creatuur van rijke Romeinse families, en nog derde in Pisa had ook zijn eigen legertje. De oude man bij het vuur zei: "We hebben al contact met de aartsbisschop, die ook ongerust is over de geest der tijden. Hij is bereid je te wijden en later ook nog te zorgen voor toestemming als er duidelijkheid komt in Rome."
Ik kon die nacht de slaap niet vatten. Bisschop. Voorgaan in de hoogmis in de kathedraal. Door mijn vurig woord de mensen ontroeren. Mijn eigen stand aanzetten tot minder uitzuigen van de armen. Die armen tot een minder drankzuchtig leven. Zou ik dat kunnen? Zou ik daarvoor de man zijn? De man? Op dat moment schoot Margherita's blos voor mijn ogen en woeien haar rode krullen door mijn droom. Het celibaat. Als kampioen van het nieuwe zuivere leven moest ik als herder toch wel het voorbeeld geven met mijn kuisheid.
Mijn antwoord aan de oude patriarch, de volgende dag, was dat ik aarzelde of ik wel zo'n grote verantwoording kon dragen en uitstel vroeg van mijn beslissing. Intussen merkte ik een verandering bij Margherita. Zij zag er bleker uit en wendde haar hoofd af als wij elkaar tegenkwamen. Zou zij toch niet zoveel voor mij voelen of had haar familie haar bewerkt?
De gebeurtenissen kwamen mijn twijfel te hulp. Als grote mare ging door Europa dat er een enorm concilie zou komen over hervorming van de kerk. Ten eerste over de wantoestand van drie opperherders, naar ook over de kerkelijke prebenden (belastingen) en onbijbelse insluipingen in de leer. Wat was voor de hand liggender dan dat ik mij voor nijn beslissing op de hoogte moest stellen van de nieuwe geloofsleer die op stapel stond. Waarbij ik uiteraard ook hoopte op verzachting of zelfs verdwijning van het celibaat. Met het oog daarop liet ik Margherita, via mijn zuster stiekem weten dat ik nog voor haar voelde. Waarop ik een geurend zijden zakdoekje terugontving, dat ik op mijn hart droeg, toen ik mijn paard besteeg naar Constanz. In die grote stad aan het Bodenneer zou het nieuwe licht gaan schijnen over de Christenheid. Groot was mijn vreugde toen ik onderweg hoorde dat zelfs Jan Hus op het concilie zou verschijnen, hoewel hij officieel vanuit Rome geëxcommuniceerd was. Waardoor hen een terdoodveroordeling als ketter boven het hoofd hing. Hij scheen echter een vrijgeleide te hebben gekregen dat hen veilige terugkeer naar Tsjechië garandeerde. Hij werd zelfs verwacht in een herberg, waar ik onderweg sliep. Blij zag ik uit naar de grote man. Een dag voor hen kwam de bisschop van Lübeck aan en vertelde iedereen dat de grootste aartsketter van de wereld in aantocht was. Ik sprong woedend op en schreeuwde dat Jan Hus de edelste mens was die ik ooit ontmoet had en dat als er ergens vernieuwing van de kerk te hopen viel, deze wel van Hus noest komen. Er schoof een monnik naast nij aan tafel en ried mij voorzichtig te zijn. Er waren overal verklikkers en spionnen van de clerus. Misschien zouden zij mij meebetrekken in Hus' ketterproces. Ik zei dat deze toch een eerlijke kans kreeg on zijn visie op het concilie te verdedigen. Hij zou daar zeker een overtuigd gehoor zou vinden. De monnik lachte meewarig.
Dicht bij Constanz werd ik opgenomen in de grote stroom conciliegangers. Waar ik voornamelijk geestelijken had verwacht, zag ik een optocht van marskramers, soldaten, potsennakers, kermisklanten en geelgeschminkte hoeren. Het stadje Peterhausen vlak bij Constanz was zelfs ingericht als één groot bordeel, waar je tussen het gewoel toch ook menig geestelijk kleed zag lopen. In de grote stad zelf werd de paus (die uit Rome) ontvangen net een plechtig "Te Deun Laudamus”. Hij ontving Jan Hus heel vriendelijk, hoorde ik, en ontsloeg hen onmiddellijk van zijn excommunicatie. Toch scheen het college van kardinalen hier ontevreden over te zijn en zette Hus feitelijk gevangen en verbood hen missen te lezen. Ook de paus zelf werd, scheen het, kort gehouden door de kardinalen. Dezen, onder leiding van de kardinaal d'Ailly en de grote theoloog Gerson, stelden een aanklacht op tegen Hus. Waartegen deze zich, naar ik aannam, gemakkelijk kon verdedigen en waarbij hij met zijn ideeën zeker iedereen zou ontroeren en overtuigen. Het ging niet zo. Eerst mocht hij zelf niet spreken en werden er slechts door zijn vroegere vriend en verrader Palec vervalste teksten van hen voorgelezen. Er werd Hus gevraagd deze te herroepen, want de rooms-koning Sigismund had liever dat de hervormer uit zichzelf door de kniën ging dan dat hij veroordeeld werd. Wat wellicht op kwade reacties bij het volk zou uitdraaien. Hus bekende echter niets. Hij zei dat de vervalsingen niet van hen kwamen en probeerde zijn eigen leer te verdedigen. Hier werd nauwelijks naar geluisterd en mijn grote idool werd veroordeeld als ketter. Ondanks de belofte van vrijgeleide ging de mare door de stad dat hij verbrand zou worden. Hij verscheen inderdaad uit de kathedraal met de gevreesde kettermuts op en werd door beulsknechten buiten de stad geleid. Daar stond een grote houtmijt opgesteld. Een hoge prelaat las de veroordeling voor. Hus werd op de brandstapel vastgebonden. Er ontstond rumoer. Hij stond met zijn gezicht naar het Oosten, vanwaar de wederkomst van Jezus werd verwacht. De veroordeelde werd losgemaakt en naar het Westen kijkend gebonden. Het hout werd aangestoken. Uit rook en vlammen klonk zijn sten psalnzingend en stierf langzaam weg. Van de kerk die voor dit schanddaal verantwoordelijk was zou ik bisschop worden? Nee, nooit en te nimmer. Wanhopig, razend en radeloos galoppeerde ik weg.


Toen het bericht van Hus' terechtstelling Tsjechië bereikte werden daar katholieke kerken in brand gestoken, priesters qemolesteerd en brak een grote opstand uit. Welke pas veel later deels en nooit helemaal werd onderdrukt. (In de traditie waarvan in onze eeuw de moedige opstand tegen het Sovjet-totalitarisme uithrak.)


De breuk tussen lichaam en ziel in Hervormd driestromenland.

Luthers breuk met Rome betrof vooral de sacramentenleer, de middeleeuwse uitvinding om de kloof tussen lichaam en ziel te overbruggen. Hij zei wel dat hij ook verder alle kerkelijke uitvindingen wilde herroepen en teruggaan tot "alleen de Schrift". Maar ons machtige christelijke mentale apparaat van ineengrijpen van waarden, verstand en gevoel (de Heilige Drie-eenheid) is door de Hervorming niet aangetast. De theoloog Servet, die dit wel wilde doen, werd in Genève verbrand.
Wat wel door de Hervorming werd afgeschaft was de middeleeuwse brug tussen lichaam en ziel, die immers voornamelijk uit de sacramentalia bestond. Hierdoor kwam de Chalcedonense gebrokenheid van lichaam en ziel dus weer open te liggen.
Luther moest dus een nieuwe oplossing vinden voor de verhouding van lichaam en ziel. Dat werd zijn "Zwei-Regimente-leer". Kortweg: de ziel wordt gevoed, beheerd en eventueel gestraft door de (Lutherse) kerk. Terwijl het (ongehoorzame) lichaam wordt geplaatst onder het strenge regime wereldlijke "Obrigkeit". Een oplossing van de verhouding ziel-lichaam die goed te herkennen valt in de verdere geschiedenis van Duitsland.


Voor ons, meer naar het Westen, zijn relevanter de twee andere hervormingstypen: het Calvinisme en de Wederdopers, die voor heel andere ziel-lichaamsrelaties opteerden.


Calvijn had een afschuw van het z.i. immorele leven van zijn stadgenoten in Genève. Om dit te corrigeren haalde hij Augustinus' predestinatieleer van stal. Gods alwetendheid houdt daarin in dat Hij al van eeuwigheid tot eeuwigheid weet wie van alle mensen voorbestemd zijn voor de hel en welke voor de hemel. Alleen wij hier beneden weten nog niet wie volgens Augustinus. Calvijn haalde echter hiervoor de sluier weg. Hij zei dat God al tijdens je leven door tekenen bekend maakt wie naar de hemel mag. Aan het slagen van je aardse ondernemingen kun je zien of Gods oog goedkeurend op je rust. Succes in zaken, gehoorzame kinderen, huwelijkstrouw e.d. bewijzen dus dat je voor het eeuwige heil bestemd bent. Terwijl faillisement, armoede, sexuele misstappen en ongehoorzame kinderen betekenen dat je daartoe gepredestineerd bent en ook nog eeuwig in de hel zult branden. Het staat echt in Calvijns beroemde "Instituten".
Deze harde leer heeft een enorme morele druk gelegd op de zielen van onze voorvaderen. Zelfs als je zelf je hele leven je best gedaan had, altijd gespaard, nooit een oog op je mooie buurvrouw, dan kon ongehoorzaamheid van je zoon toch nog alles verpesten. Zijn dranklustigheid ot aanpappen met minder brave meisjes kon toch een glimp zijn van jouw eeuwige verdoemenis.
Van de grauwsluier die dit Calvinisme over ons leven gelegd heeft kun je iets zien uit de kleding op schilderijen. Voor de hervorming voet aan de grond kreeg droegen (rijke) mannen nog prachtige bombazijnen pofbroeken, goudgeborduurde vesten, zwierige mantels en hoeden met veren. Plots wordt na de zestiende eeuw alles dof zwart. Eerst met nog een enkele kanten kraag, maar ook die verdwijnt. En verbetering is daar sindsdien niet in gekomen. Zie het drie-delig grijs of zwarte krijtstreep, die nog steeds endemisch zijn bij gezagsdragers en succesvolle zakenlui.
Wat wel enorm toenam waren de bankrekeningen van de Calvinisten. Die waren de Calvinistische thermometer voor je christelijkheid. En als het met je eigen rekening niet zo lukte, dan maar braaf en vlijtig voor die van je baas. Dat was ook goed. Zo is de Calvinistische gezindheid een van de voorwaarden geweest voor het ontstaan van het moderne kapitalisme. Genève werd een van de welvarendste steden.

Heel anders was de leer van de Wederdopers. De Derde Weg in de retormatietijd. De Wederdopers benadrukten het bijbelwoord: "U geschiede naar uw geloof". Wat zou inhouden als je maar echt goed wil, dan gebeurt het ook. Niks (Chalcedonense) gebrokenheid van lichaam en ziel. Alvorens in een (weer imaginair) Wederdopers ooggetuigenrelaas te duiken, moet ik nog even hun naam verklaren. Zij vonden dat het Christen zijn iets was waar je zelf in vol bewustzijn voor moest kiezen. Dus als volwassene. Dus moest de kinderdoop herhaald. Vandaar "Wederdopers".
Ik ben nu Jan, een bakkerszoon uit Haarlem in 1533:
"Mijn vader heeft mij weer eens opgesloten in het turfhok. Achter de verlichte reten van het luik ho
or ik onze familiegeluiden. Moeder zet de pot op tafel. Vader leest een bijbeltekst. Stilte voor de zegen. Klinken van de lepels en gepraat van alledag. Stilte voor het dankgebed, waarna iedereen weggaat. Het turfluik gaat even open. Moeders hand schuift een kom pap naar binnen, hoewel vader had gezegd: "En zonder eten naar bed.” Net als de vorige keer, toen vader mij had betrapt dat ik met Marieke een eindje de naar de Hout was opgelopen. "Als ik je nog eens met meidekens snap breek ik je benen.” had hij gezegd: "Je wacht naar tot wij je je vrouw aanwijzen. Dan is het vroeg genoeg om op vrijersvoeten te gaan.” Vandaag was hij kwaad omdat ik was gaan luisteren naar Jan Matthijs de, naar men zegt, slechte zoon van een andere bakker. Hij preekte bij de Wederdopers bij vrouw Bette thuis. "Broeders en zusters” zei hij: ” Luther heeft ons wel uitgelegd hoe de paus met zijn prelaten het geloof vervalst heeft. Maar die Luther is zelf een monnik, een wolf in schaapskleren. Hij is maar een klein eindje gegaan en blijven steken op de weg die wij helemaal moeten gaan. Luther heeft gezegd dat wij de papen moeten verlaten, maar gehoorzaam blijven aan de overheid. (Romeinen 13 "De overheid draagt het zwaard niet tevergeefs”.) Maar wie is die overheid vraag ik u, broeders en zusters. Dat zijn immers de regenten die altijd onder één hoedje speelden met de kerk. Moeten wij die gehoorzamen. weg ermee. Wij moeten onze eigen overheid kiezen." Op dat moment was de schout met zijn rakkers binnengekomen en had onze dienst uiteen gejaagd. En zo was het mijn vader ter ore gekomen. En daarom zit ik nu in dit hok. Ik had mijn vader wel tegengeroepen dat hij zelf toch ook maar soms buiten de stad naar de Lutheraan was gaan luisteren, al bleef hij trouw zijn plichten vervullen aan de oude kerk. Hij had terugeschreeuwd dat de Luthersen binnen de kerk bleven en alleen enkele misbruiken wilden bijstellen, maar dat die Jan Matthijs een oproerkraaier was die...” Hij stikte bijna in zijn woorden en brulde "ln het hok jij."
“Toch, als ik eruit kom, ga ik er weer heen."


"Ik heb nu een paar nachten in de Hout geslapen. Met andere Wederdopers. Hij willen niet een slechts paar sacramenten afschaffen en alles verder bij het oude laten. Wij willen leven zoals de apostelen. Geen rijken en armen meer. Maar alles in eenvoud samen delen. Met elkaar het brood breken en elkaar in liefde omarmen zoals de eerste gemeente in Jeruzalem.
Ik ben vandaag in de stad moeder tegengekomen. Zij had roodgehuilde ogen. Zij zei: "Ach lieve jongen, waarom doe je ons dit alles aan. Ik begrijp je wel.
Maar je vader vermoordt je als hij je ziet. Hij heeft van de gildemeester gehoord dat het niet alleen slecht afloopt met wie zelf naar de ketters luistert, maar ook wiens zoon dat doet. Lieve jongen, hier is wat geld dat ik gespaard heb. Ga alsjeblieft een tijdje de stad uit. Je moeder blijft van je houden hoor. Schrijf me waar je bent, dan bericht ik je wel wanneer je vader wat bedaard is. Hij kusten elkaar gedag. Vrouw Bette gaf mij een adres in Amsterdam, waar ik bij Dopers onderdak kon vinden.
Met de trekschuit naar Amsterdam. In de Zoutsteeg woonden de broeders en zusters als groep gewoon openlijk bij elkaar. Dat kon daar. En daar hoorde ik van Munster. Hij Wederdopers waren niet een kleine hoopken. De hele wereld stond in brand en het centrum was Munster. Daar hadden de Wederdopers de overhand gekregen en daar, fluisterde men, zou het laatst der tijden aanbreken. De grote Parousie. De Wederkomste des Heren. De katholieken en luthersen waren Munster uitgedreven en verder was iedereen herdoopt opdat de Heer daar een rein Rijk zou vinden. De bisschop van dat land had echter met een leger beleg geslagen om die heilige stad. Er was van Jan Matthijs, de gezalfde des Heren daar, een boodschap uitgegaan naar alle Wederdopers om de stad te helpen verdedigen totdat een heir van engelen deze taak zou overnemen. Toen dan ook gevraagd werd wie meeging naar Munster, stak ik mijn hand op. We zijn naar Monnickendam gelopen, vanwaar een schipper ons over de Zuiderzee bracht. Omdat hij hoorde dat de Geldersen schepen met Wederdopers tot zinken hadden gebracht, zette hij ons bij de Kuinder aan wal. Vandaar te voet verder. Onderweg voegden steeds meer mensen zich bij ons. Duizenden. Meest armen en eenvoudigen die de uitbuiting door de rijken beu waren en verwachten dat de Heer zijn vrederijk zou vestigen vanuit Munster, waarin geen rijk en arm meer waren. Waar de leeuw en het lam zouden bijeenliggen om te worden gehoed door het Kind op grazige weiden. Naar niet dan nadat de verschrikkingen van de Apocalyps gewoed hadden. Maar voordat de zeven bazuinen geblazen waren moesten wij die strijd voorbereiden. Hij voerden hellebaarden, zwaarden en musketten mee. Toen de heilige stad Munster zichtbaar werd met zijn bolwerken en torens, werd ook duidelijk dat het niet makkelijk zou zijn er binnen te komen. De oude bisschop, die als vorst over de stad geheerst had, had zijn taak neergelegd en zijn opvolger was in het bacchanaal ter ere van zijn verkiezing door overmatig drankgebruik bezweken. Van dit uitstel had de Dopersbeweging gebruik gemaakt de stad in haar macht te krijgen, maar de volgende bisschop Franz von Waldeck had het beleg om de stad versterkt. Langs alle toegangswegen waren blokhuizen waar huursoldaten iedereen tegenhielden. De boeren van de streek bleven echter langs smokkelpaden met de stad handel drijven. Tegen een kleine vergoeding namen ze ons mee binnen de muren. Wij werden verwelkomd met een groot feest op de markt. De hele bevolking zat samen aan lange tafels. Behalve de wacht op de muren. Er was geen arm en rijk neer. Er waren drie soorten vlees. Groenten die de boeren hadden gebracht en drank uit de kelders van de rijken die men de stad had uitgedreven. Er was geen geld meer in de stad. Iedereen werkte naar behoren. Alle huizen stonden open. Men mocht slechts een klein hekje voor de deur hebben opdat de varkens en kippen niet binnenliepen. Ik kwam te slapen in een vroeger klooster en ontving, o grote dag, mijn tweede, werkelijke, doop van de grote stadsprediker Rothmann zelf.
De volgende dag werd de trom geroerd.
Mijn held Jan Matthijs zou als profeet vrijwel alleen de stad uitgaan en met des Heren hulp de vijand vernietigen. Met enkele getrouwen stormde hij de Ludgeripoort uit. Wij klommen op de wallen, verwachtend dat een hemels heir hem zou bijstaan. Op de schansen van de vijand ontstond verwarring, maar tot onze ontzetting marcheerde een kolonne landsknechten onze profeet tegemoet en hieuw hem en zijn gezellen in bloedige stukken.
Een andere apoc
alyptische uitval werd gedaan door het dappere meisje Hille Fejken. Geïnspireerd door Judith, die Holofernes doodde, liep zij in een vergiftigd hemd de stad uit met als list een aanbod tot verraad aan de stad. Voor zij tot de prelaat werd toegelaten en hen kon verleiden werd zij echter doorzien en wreed gedood.
ln de stad was grote ontzetting over deze
mislukkingen. Was de Heer dan toch niet met ons? Voor de Lambertikerke waar alle opstand begonnen was sprong Jan Deukelszoon van Leiden op het preekgestoelte en sprak ons moed in. Jan Matthijs en Hille waren valse profeten geweest, die hun gerechte straf hadden gekregen. Het was menselijke overmoed geweest te denken op eigen kracht te kunnen overwinnen. Nee, wij moesten alleen op de Heer betrouwen. Niettemin pakte Jan van Leiden de verdediging duchtig aan. De kerktorens werden van hun paapse spitsen ontdaan en bezet met geschut. Ik moest oefenen met het zwaard en helpen bij het laden van de musket. Wachtlopen op de wal. Uitkijken naar 's vijands schansen. Waar 's nachts de wachtvuren branden en daags de bisschoppelijke banieren woeien. Om na de wacht weer onder te duiken in het vrolijke Doperse leven. Bij iedere poort was een "gemeenschapshuis" waar gezamenlijk gegeten werd aan lange tafels. Op de markt werden feesten gegeven opgesierd door schijngevechten en abele spelen.
Tot de vijand een verschrikkelijk artilleriebo
mbardement begon. Uren dreunden de kanonnen. Daarna werd de stormaanval geblazen. Kolonnes schitterende lansen stroomden op ons af. Onze bussen schoten gaten in hun rijen. Doden bleven terzijde achter. De eerste bisschopsvlag verscheen voor, ja op, zelfs over onze buitenschansen. Werd er dan niet gestreden door de onzen? Nee, ze verloren alleen in schijn, want Jan van Leiden had bevolen de vijand tot de binnenste muur te laten. Toen dan diens hoofdmacht tussen binnen- en buitennuur was stroomden die plots vol vrouwen en kinderen die kokende olie en stenen omlaag wierpen. In die schrik stormden onze mannen naar buiten en joegen de vijand terug tot voorbij zijn eigen schansen. Die bisschopssoldaten waren geen gelovigen die voor hun Heer vochten, zoals wij, naar huurlingen. Wij hoorden dat zij na hun nederlaag tegen de bisschop mopperden dat dit geen eerlijke manier van oorlogvoeren was. Zij weigerden een volgende stormaanval en de bisschop had ook geen geld meer voor hun soldij.
Binnen de wallen werd na een grote dankdienst de overwinning gevierd.
Weer net voorraden uit de kelders van de rijken. Weer aan lange tafels op de markt. Pas het toen, of na een andere afgeslagen aanval, dat een profeet zijn boodschap bracht? Door ons godsvertrouwen in de strijd had het Gode behaagd het Rijk van Koning David weer op aarde te herstellen. Jan van Leiden verscheen net gouden kroon en koningsmantel gevolgd door zijn oogverblindend schone koningin Divara. Was dat niet Dieuwertje van Jan Matthijs vroeger uit Haarlem? Ja, en er waren nog zeventien andere koninginnen. Ook de kanselier Knipperdollinck had opeens vele vrouwen om zich. Aan het feestmaal verkondigde de profeet dat God het aartsvaderlijke huwelijk weer had toegestaan. Net zoals Abraham, Izaak en Jozef mochten wij ons huwelijksgeluk vergroten door meerdere vrouwen te nemen, die in eendracbtelijk zusterschap moesten samenleven. Mannen en vrouwen vielen elkaar om de hals. Er werd gedanst. Verbijsterd ging ik, een beetje dronken, terug naar mijn slaapplekje in het voormalige klooster. Moest ik ook vrouwen nemen? Ik die zelfs nog nooit een kusje gewaagd had na mijn vaders afstraffing over het wandelingetje met mijn buurmeisje. Ik had mij wel verbaasd dat er zoveel vrouwen in de stad waren. Vrouwen, overal vrouwen. Dat kwam door de vele mannen die gevallen waren in de strijd. Maar ook waren bij de nog steeds door de vijandelijke linies naar ons toe sluipende Wederdopers meer vrouwen dan mannen. Het geloof was toch altijd meer iets voor vrouwen geweest. Trouwens van het oorspronkelijk Munsterse volk waren ook meer vrouwen achtergebleven bij huis en haard, terwijl hun man met zijn toegesnoerde goudbuidel de bisschop was gevolgd. Vrouwen bedienden nu het geschut, versterkten de wallen en droegen ook zwaard en lans. De door Jan van Leiden ingevoerde huwelijksvrijheid voerde niet overal tot tevredenheid. Je hoorde vrouwen kijven en hun man aftuigen die Jans voorbeeld wilden volgen, naar er kwamen ook gezinnetjes, waar meerdere vrouwen vrolijk kwekkend rond de tafel zaten en hun ene man op een of andere manier deelden. In de herbergen bij de poorten waar het loslopende volk, zoals ik, at, leefde en rondhing werd de omgang vrijer. Eens werd ik door een meidje in mijn hals gekust terwijl zij rondging met het eten. Iedereen lachte om mijn roodworden. Een vrouw zei: "Ach plaag die jongen toch niet. en tegen mij: "Laat ze maar. Kom met me mee.” Zij had een huisje achter de Lambertikerk. Haar man had met de oude bisschop de stad verlaten. Zij had zich laten herdopen en was gebleven. Zij sliep om mijn schuchterheid niet te beproeven, op een stoel in haar keukentje. Het woningkje was maar twee vertrekken groot. Daarna sliepen we altijd samen.
Het leven binnen de vesting werd benarder.
Minder munitie en minder voedsel. Toch bleef Jan van Leiden ons moed inspreken en ons leven opfleuren door feesten en spelen. Voor mij had vrouw Gonda met haar vriendin Lida in haar huisje had gewoond. Die was bij mijn komst, zonder dat ik dat wist, ergens anders gaan heengegaan. Gonda vroeg: "Zou je het goed vinden als zij weer hier kwam?” Zo zaten we 's avonds met z'n driën aan het dagelijks maal. Lida zei: "Maar kind, wat heb je een heerlijk vlees.” Gonda werd rood en zei dat zij een kat geslacht had, naar dat het toch reuze meeviel. De vriendinnen vielen elkaar snikkend in de armen. Zo leefde ik bij die twee vrouwen die mij liefkoosden en verwenden. Later kwam er ook nog een non, die uit het überwasserklooster was gevlucht. Onze profeet had gezegd dat het zou instorten als straf Gods voor hun zondig vasthouden aan het katholieke geloof. De vrouwen waren gevlucht. Het gebouw stortte niet in. De militaire toestand werd slechter. De bisschop, die onze stad belegerde, had, toen zijn beurs was uitgeput een beroep op het keizerrijk gedaan. ln Worms hadden katholieke en evangelische vorsten eendrachtig meer dan 100.000 goudguldens samengebracht om het ketternest Munster uit te roeien. Weer bulderden de kanonnen en werd de trompet ten aanval blazen. Wie nog lopen kon haastte zich naar de wallen. 0ude mannen strompelend op een stok, in hun andere hand een zwaard. Vrouwen met kinderen aan hun rokken en met emmers kokend water. De vijand was al door een bres in de buitenmuur gebroken, naar stuitte op de binnenmuur onder een regen van brandend hout en stenen. Ging het weer als bij de vorige stormloop? Nee, achter ons hoorden wii ook strijdrumoer. Vanuit de stad waren 's nachts twee verraders naar de bisschop gegaan en hadden een zwakke stee gewezen in een andere poort, waardoor nu ook soldaten de stad in stroomden. Toen wij voor én achter ons de vijand hoorden begon de grote vlucht. Rennend de stad in. De zwaksten achteraan werden genadeloos neergesabeld. Ik kroop onder een stapel lijken. De troep ging razend en tierend voorbij. De belangrijkste beloning van huursoldaten lag immers in plundering, maar deze stad was als een veld na een sprinkhanenplaag. Afgekloven en kaalgevreten. Toen de avond viel kroop ik onder de doden vandaan en sloop de stad uit. lk vond het smokkelpad waarover ik ook gekomen was. Uit het bisschoppelijk tentenkamp klonk dronken gebral van de overwinning en niemand hield meer wacht. Tegen de ochtend was ik in een dorp ver weg.


Een jaar na de ondergang zijn Jan van Leiden en andere Wederdopers voor de Lambertikerk met gloeiende dolken langzaam gedood. Hun verminkte lichamen werden hoog aan de toren tentoongesteld in ijzeren kooien. Kooien die vandaag de dag nog aan de toren van de Lambertikerk hangen en waarin de huidige VVV 's nachts een onrustig flakkerend lichtje laat branden.


Na Munster is er ook nooit meer een Wederdoperrijk geweest. Toch zijn er daarna verspreid in Europa incidenteel plekken geweest waar men weer probeerde samen te leven volgens de oerchristelíjke idealen van collectief bezit, liefde en groepswonen. Recentelijk nog in de "Roaring Twenties" en de roerige jaren zeventig.


De definitieve oplossing van het lichaam-ziel-verhouding

De hoofdstelling van de Wederdopers dat als je het echt goed bedoelt je lichaam het ook goed zal doen, is door de Westerse cultuur niet gevolgd. Evenmin als de Calvinistische koppeling van lichaam en ziel via de praedestinatie en ook de Lutherse oplossing van de ziel gehoorzaam aan de kerk en het lijf aan de overheid is het niet geworden.
In de negentiende eeuw is uiteindelijk naast waarde, verstand en gevoel nog een vierde vermogen aan de mens toegekend namelijk "De Wil". Als je met de drie-eenheid van waarden, verstand en gevoel een "bedoeling" hebt gevormd is er nog de kracht van "de Wil" om die bedoeling ook uit te voeren met je lijf.
Deze relatie nog maar eens wiskundig genoteerd:


Wil ( bedoeling, echt gedrag)


Met woorden: De relatie tussen een "bedoeling" en het echt uitgevoerde gedrag wordt verzorgd door het de mens ook toegerekend vermogen van "de Wil".


Deze koppeling van lichaam en ziel is door de Europese wereld definitief verwoord in de geschriften van Schopenhauer, hoewel er eerder door Pelagius, Abélard en Johannes Duns Scotus al zoiets is voorgesteld. Het is pas anderhalve eeuw algemeen aanvaard. Hiermee is de grondstructuur van ons begrip van het menselijk handelen zo geworden als hij nu is.




Gewrik aan de interne verhoudingen binnen het concept.

Het met waarde, verstand en gevoel vormen van een bedoeling en deze dan met de kracht van je wil uitvoeren is dus tot op de huidige dag het model van ons menselijk handelen. Wij, jij en ik, hebben dit in ons hoofd en proberen er ons leven mee in te richten en beoordelen elkaars gedrag er mee. Toch is binnen dit concept de vrede nog niet volledig getekend. Met name in de verhouding van het verstand en het gevoel. En ook niet over de werking van het verstand en het gevoel op zich. Over die strijd hoef ik niet in de huid van een ander te kruipen, want ik zit er zelf nog middenin. En jij ook. Ik zal proberen iets over die laatste fase van de vorming van onze ziel weer te geven. Dat is moeilijk omdat wij er nog mee bezig zijn en die strijd deels in ons plaats vindt.


Na de Hervorming is er eerst een enorme uitbouw geweest van de mogelijkheden van het verstand, de Verlichting. ln de exacte wetenschappen: natuurkunde, wiskunde en chemie werden een spectaculaire vooruitgang geboekt. Aanvankelijk was deze nog gehandicapt door een diepe tegenstelling tussen het idealisme, dat kennis alleen zocht in het bewustzijn en het empirisme dat kennis alleen wilde afleiden uit waarnemingsfeiten. Het idealisme was een meer Continentale aangelegenheid met Descartes en Leibniz als kampioenen. Terwijl het empirisme Engels was onder aanvoering van Locke en Hume. Tenslotte heeft Kant deze kloof gedicht en het is nu vrijwel paradigmatisch dat een wetenschappelijke theorie axiomatisch deductiei van opbouw hoort te zijn, maar tot in details door de waarneming bevestigd moet worden. De wetenschappen ontcijferden sindsdien het heelal en de natuur en trokken daarmee het kosmologisch model van de bijbel volledig overhoop. Volkomen ten onrechte, want als je de oude teksten goed leest (zoals hierboven geprobeerd is) zie je dat de primitieve bijbelse kosmologische noties eigenlijk voornamelijk mythische duidingen waren van een menselijk moreel systeem. (Zoals onze jonge vriend van keizerin Pulcheria al vermoedde)

In Noordwest Europa is door de verstandelijke successen in de negentiende eeuw met de religie in een moeite ook de emotionaliteit onder het tapijt geveegd. Tegen deze tendens was al in de achttiende eeuw een tegenbeweging begonnen, later de Romantiek genoemd. Hoewel de verdediging van de rol van de emotionaliteit vanzelfsprekend meer met artistieke middelen werd gevoerd is er een aangrijpend intellectueel emotioneel pleidooi waarmee de theoloog Schleiermacher het religieuze beschrijft: "dat eerste ogenblik .... Als die beminde en steeds nagestreefde gestalte vorm krijgt, snelt mijn ziel haar direct tegemoet, niet als schim, maar als het heilige wezen zelf. Ik lig aan de boezem van de oneindige wereld .... lk neem haar op en zij kijkt in de open ziel, als een zich losmakende geliefde in de prille blik van een jongeman; dan pas komt het gevoel uit de innerlijkheid tevoorschijn en overdekt als een blos van schaamte en lust zijn wangen. Dit moment is de hoogste uitbloei van de religie."


De verdediging van de emotionaliteit tegen de dreigende overheersing van het rationele is echter, zoals gezegd, voornamelijk gepleegd met muziek, opera, poëzie en romans. Ik kies voor een verloop van de historische ontwikkeling van onze emotionaliteit de muziek. In de achttiende eeuw was onze emotionaliteit weggedrukt door het triomferende verstand en maatschappelijk ingesnoerd in een keurslijf van feodaliteit en verouderde religieusiteit. Maar er klonk al, in de verte, de belofte van de vrijheid in de muziek van Mozart. Vrijheid, nog niet gerealiseerd, maar slechts als belofte in de verte. Kijk maar naar Mozart zelf. Hoe nieuw en vrij en licht en dansend zijn muziek ook is, hij draagt zelf nog een gepoederde pruik en de kleding van een lakei en is dat ook in feite van vorsten en bisschoppen. De nieuwe vrijheid, die in zijn muziek klinkt wordt pas in de maatschappij verwerkelijkt in de Franse Revolutie, waar niet alleen de feodale verhoudingen worden omvergeworpen, maar ook de de ban op vrije uitdrukking van emotionaliteit wordt verbroken. Die realiteit van een echt bevrijde emotionaliteit verschijnt echter pas in de muziek van Beethoven. De hartstocht wordt door Beethoven echt bevrijd. En dan blijkt, o schrik, dat de emotionaliteit, echt bevrijd, ook totaal bevrijde erotiek is. En wat je dan hoort is dat de totaal bevrijde erotiek raadselachtig ontaardt in gewelddadigheid. Het hartstochtelijk verlangen springt, danst, juicht bij Beethoven in kwarten en kwinten omhoog maar verwordt daarin tot iets gewelddadige waar Beethoven zichzelf in pijn en schaamte van afkeert. Iedere keer gebeurt het weer in zijn sonates, symphoniën en kwartetten, de pijnlijke ontdekking die Beethoven voor ons in de muziek deed dat verlangen en hartstocht vrijgelaten tegen onze bedoeling in ontaarden in iets gewelddadige wat we helemaal niet willen. Net zoals buiten de muziek in de maatschappij de Franse "Liberte, egalite, fraternite" eindigden in de Terreur waarin de revolutionairen elkaar onder de guillotine brachten. Terwijl het vrijheidsverhaal van de revolutie eindigde in de verschrikkelijke oorlogsmaker Napoleon.
Beethovens epigonen tot en met Brahms en Mahler worstelden een eeuw tevergeefs met de paradox dat erotisch verlangen vrij gemaakt verwordt tot geweld. Zoals in de maatschappij de liberale vrijheidsdrift leidde tot de beestachtige onderdrukking van het proletariaat in de laat- negentiende-eeuwse industrie.


Naar met deze boodschap eindigt de geschiedenis van onze emotionaliteit nog niet. Tegen het einde van de negentiende eeuw en in het begin van de twintigste groeit in maatschappij het socialisme en hoor je in wat toen heette "de nieuwe franse muziek" een nieuw geluid als leidraad voor onze emotionaliteit. Ook daar het geluid van het erotisch verlangen, maar niet zo vrij als bij Beethoven. Al vanaf de eerste accoorden klinkt er iets schrijnende in. Alsof de erotiek daar al van het begin af weet dat zij niet volledig vrij mag worden. Alsof erotiek, emotionaliteit iets is dat al meteen in zichzelf geremd en terughoudend moet zijn voor je ermee kunt leven. Met deze boodschap probeert de "nieuwe", nu al een eeuw oude muziek ons te vertellen hoe wij met onze emotionaliteit en onze erotiek, wat misschien hetzelfde is, kunnen omgaan. Dit is, voor zover ik het zie, het front van de vierduizendjarige geschiedenis van onze ziel. Hoe die in het gewone leven verder gaat weet ik niet, weten wij allemaal nog niet. Daar zijn we mee bezig. Bezig met de vraag dus: Hoe moet je met een emotionaliteit, die je zelf al in de kiem tegenhoudt, toch emotioneel verder gaan.


Natuurlijk weet ik wel dat er in onze kapitalistische maatschappij een tetterend gedreun van reclame en media ons dagelijks verdooft met de boodschap: Gooi alle remmen los! Ga zoveel mogelijk uit je dak!, maar dat is de uiterlijke wereld van alledag, die in de christelijke traditie altijd een verloren zaak is geweest. De echte "vooruitgang", het worstelen met de vragen tot waartoe onze geschiedenis onze ziel gebracht heeft, gebeurt altijd in stille plekken terzijde van het maatschappelijk geraas. In de stille smidse van de serieuze muziek ken ik geen nieuwer en hoopgevender geluid voor hoe wij, aan het front van vierduizend jaar ontwikkeling van de moraal zoeken naar hoe we met onze emotionaliteit verder zouden kunnen, dan in die "moderne" Franse muziek van rond 1900. Dus naar, naast de muziek, ook woorden en konkrete aanwijzingen voor hoe je met je emoties moreel zou kunnen omgaan. Luister daarvoor naar de tedere schrijnende ingehouden klank van de "Pavane pour un infant defunte" van Ravel of "Claire de lune" van Debussy.