DE LIEDKAMPEN VAN ‘HET NEDERLANDSE LIED’

(1944 t.m. 1963)

door Rijk Mollevanger (versie dd 20.8.2018)


[Bronnen: vanaf 1945 voornamelijk de zes apart door Renske aangelegde Liedkampen-cahiers met enkele daar ingesloten documenten; soms bovendien nog de HNL-cahiers. Voor de beginjaren ook de aantekeningen en enkele mondelinge mededelingen van Wil van de Vijzel. Verder een aantal in het Huldeboek 1960 bewaarde (ingeplakte) documenten, en bijdragen in de Feestelijke Uitgave van oktober 1965, en het Gele Boek (1980). Persoonlijke herinneringen – vanaf 1955 was ik enthousiast deelnemer – speelden evenzeer mee, ook aan gesprekken met anderen. Voor sommige gegevens zijn liedbundels geraadpleegd; èn Google, o.m. voor de Liederenbank van het Meerten Instituut.]





A. ALGEMEEN OVERZICHT





Onvergetelijk voor wie ze heeft meegemaakt waren de Liedkampen. Al in juli 1941 had de Amersfoortse zanggroep Het Nederlandse Lied: een twintigtal jongeren onder leiding van Renske Nieweg, een als zeer geslaagd ervaren weekend beleefd in ‘Ons Bliscap’ te Amerongen. Deze bijeenkomst had de groep tot een hechte vriendenkring samengesmeed. Nog in het laatste oorlogsjaar, vlak na de hoopgevend verlopende geallieerde invasie in Normandië, durfde Renske het aan om een hele zang-, dans- en speelweek te organiseren, van 22 tot en met 26 juli 1944. Nu met een aanmerkelijk uitgebreid aantal deelnemers: HNL-leden, oud-leden, en bevriende muzikale relaties – samen meer dan zestig personen. Een week die uitdrukkelijk een studiedoel had. HNL zou immers, zodra de spoedig verwachte bevrijding een feit was, als een de nationale gemeenschap dienende Gideonsbende moeten functioneren: door met haar optreden de Nederlandse jeugd weer hun eigen volksliederen te leren zingen – in een idealistisch als vernieuwing opgevat naoorlogs politiek klimaat onder het “Doorbraak”-peetvaderschap van de katholieke Jop Pollmann, de socialist Piet Tiggers, de inspirerende godsdienstwetenschapper Gerard van der Leeuw. Zeker tot begin jaren ’50 bleef in de kampen de studieuze opzet dominant; wat niet verhinderde dat deelnemers ongelooflijk veel plezier aan het werkelijk hard werken bleken te beleven. Zo ondertekenden die van 1947 bijvoorbeeld alle 52 als quasi-gezakten voor de volksliedkennis een bedelbrief om herkansing en verdere verdieping in het kamp van het daaropvolgende jaar. Zulks in een speels “Smeekschrift der edelen en edelinnen aan de Examinatoren van het Eindexamen ‘Nederlands Lied’ Kamp 1947” (te weten de “Hoge Doorluchtigheden Rens en Wil”).

Maar het ging dan ook beslist om méér dan volksliederen! Het ging om directe beleving van en praktisch werken aan herstel en uitgroei van een – al ouder – levensideaal: een samenleving waarin het gemeenschapsgevoel richting gevend was – en om een daarbij horende levensstijl van geestelijk en zedelijk kwaliteitsniveau; dus: mede om ethiek en moraal. En dat in feite wel met een vrijzinnig christelijke inslag, door de kampdeelnemers, hoewel met diverse levensbeschouwelijke achtergronden, kennelijk niet als dwingende druk ervaren, al betreurden sommige oud-AJC-ers soms wel dat er geen (rode) strijdliederen meer werden gezongen. Voor de opzet van een in die zin experimenterende training kon Renske, zelf al vroeg actief socialistisch gezind, dankbaar gebruik maken van haar ervaringen in de leerschool van de vooroorlogse muziekleiderskampen van de socialistische jeugdbeweging. Daarin had zij een belangrijke rol gespeeld en die leverden als het ware een blauwdruk, in meer dan één opzicht. Van onschatbaar belang moet hierbij ook de inspirerende inbreng zijn geweest van haar evenzeer vrijzinnig christelijk geöriënteerde vriendin en collega, de muziekpedagoge Wil Waardenburg. En nog in juni 1944 had zij in De Lage Vuursche een muziekkamp geleid van het Vrijzinnig Protestants Jeugdwerkcentrum ‘Oolgaardt’. Renske heeft zich duidelijk zeer verwant aan en thuis gevoeld in dat vriendencircuit van de stichters van de sociaal-pedagogische opleiding Middeloo (Amersfoort 1946), en het vormingsinstituut De Horst voor werkers in kerkelijke aangelegenheden (de z.g. wika’s) in Driebergen.

Achteraf kan als tragisch worden ervaren dat zich buiten dit idealistische, maar in veel opzichten toch ook restauratieve Nederlandse wereldje een geheel ander levensbesef aan het ontwikkelen was, dat uiteindelijk (en niet alleen in Nederland) zulke dramatische cultuurveranderingen heeft teweeg gebracht. Dit aspect zal hieronder nog ter sprake komen

Het allereerste echt lange Lied- en Danskamp van 1944 – beschreven in een vorig deel van deze geschiedenis – was bijzonder geslaagd, en gaf aanleiding tot jaarlijkse herhaling. En zo heeft tot en met 1963 twintig keer een Liedkamp plaats gevonden. Negentien keer zoals in 1944: in deel en stallen van de monumentale boerderij De Ooievaarshorst, van de familie Lagemaat, in De Treek bij Leusden; één keer (1946) in een boerderij te Leersum. Tot en met 1955 duurde het feest een hele week in de zomer; nadien werd in ingekorte vorm gewerkt: een uitgebreid weekend rond Pinksteren. Zingen, afgewisseld door volksdansen en bij de meeste kampen ook een lekespel: een stevig programma! Na ontbijt en corvee op de open ruimte tussen deel en stallen voor de gehele groep stemvorming en intensieve studie van het polyfone zangstuk dat die dagen centraal stond. ’s Middags werken in groepen, op diverse rustieke locaties – bij goed weer als het even kon buiten, zelfs in het bos; anders in de beschutting van deel, varkensstal, meisjeszolder, hooiberg, achter de stier, kippenhok, wagenschuur, geitenstal – of zelfs de keuken van de boerin… Tijdens de laatste kampen kwam ook een ruimte in de nabijgelegen school beschikbaar. En vóór het kamp begon had Renske wikkend en wegend een groepsindeling ontworpen, compleet met doordachte toewijzing van leiding en beschikbare ruimten. Iedere avond na de maaltijd weer dansen en dan een gezamenlijk verzorgd programma, afgesloten met chocola, wandeling en sluitingsliederen.

Altijd is dit jaarlijkse (veel voorbereiding vragende) project voor de gestadig in aantal groeiende deelnemers – oud-leden, relaties uit heel Nederland, in de jaren ’50 een wassende groep Amsterdammers – een ongeëvenaarde belevenis geweest, waar nog decennia lang enthousiast over werd gesproken.

Onvergetelijk trouwens niet alleen op muzikaal gebied! Slapen op stro, boven de varkensstal (de meisjes), boven op de deel (de jongens); diverse soorten corvee in ploegen; eten op banken in de wei (als het niet regende) of samenhokkend in de deel (bij slecht weer); de klok een uur verzet (naar vóren: dus vroeg opstaan!); de op veilige afstand uitgespitte kookplek, onoverdekt, met zorgvuldig behoed open vuur; het sanitair: een diepe, tevoren door de jongens gegraven latrine een eindje verderop; jezelf wassen met koud water onder de pomp; avondwandeling door het bos; zwartgebrande groene zeep van de gamellen schuren op de laatste dag. Losgebroken biggetjes, een gillende troep die de muziekstandaarden omver rende. Tussen de middag, na de lunch: verplichte rust (stilte, een wens van de familie Lagemaat) – maar die dwang kon ontdoken door met fluit en vedel een plek in het bos te zoeken… ’s Avonds vroeg op stok na de door enkele vrijwilligers verzorgde muzikale taptoe.

Maar er waren ook (veelal mannelijke) dissidenten die daarna nog heimelijk een biertje gingen pakken in café Bavoort, twee kilometer ver. (Immers, hoewel veel gezongen werd over den coelen wijn en zo, alcohol was in het kamp – volgens vertrouwde rode (en blauwe!) traditie – stilzwijgend maar vanzelfsprekend strikt taboe.)

En hoezeer ook religieus levensbeschouwelijk “neutraal”, toch ontbrak in deze kampweek geen (vrijzinnige) algemeen christelijke noot, en dat niet alleen vanwege veel van de gezongen liederen. Behalve in de jaren 1961 en 1962 stond op de zondagochtend een met eigen gezang opgeluisterde “dienst” op het programma; daarvoor was door Renske gewoonlijk een bijzondere spreker, soms een dominee uitgenodigd. Kennelijk had niemand daar doorslaggevend bezwaar tegen – tot Renske in haar notities m.b.t. het kamp van 1960 noteerde dat zij er wel met een paar deelnemers over had te praten. Onder hen Jan Meilof; hij en zijn eega Noor, beiden afkomstig uit de AJC, hebben het, hoezeer Renske en HNL van harte toegedaan, nog in latere jaren een beetje moeilijk gehad met dit soort religieuze elementen; en zij bleven betreuren dat socialistische strijdliederen in het HNL-repertoire ontbraken... Tal van HNL-leden hebben trouwens in 1982 met een koor van oud-AJC-ers meegewerkt aan de grammofoonopname van AJC-liederen (Varagram ET 152) – De roomsen (o.w. de Amsterdammers, èn Jan Cox) fietsten op die zondagochtenden echter wel naar hun kerk in Hamersveld of Amersfoort, wat natuurlijk enige consequenties had voor de stembezetting in de kampdienst.

Verhelderend inzake deze levensbeschouwelijke achtergrond en Renske’s ideeën betreffende de verhouding kunst – religie – maatschappelijke werkelijkheid, mag de reflectie heten, die we al in 1944 aantreffen in Renske’s weergave (Liedkampcahier I, p34-35) van de avondvoordrachten door Wil Waardenburg tijdens het eerste kamp, over het boek “Wegen en grenzen, een studie over de verhouding van religie en kunst” (1932) van G. van der Leeuw:



"Het gaat er voor ons niet om, om over deze aarde heen te zweven en met Frau Musica in een sfeer van harmonieuze klanken op te stijgen, terwijl deze aarde vergaat. Het gaat er om, of de kunst voor ons, op deze aarde, midden in deze realiteit staand, iets is, een kracht. Dat is zij niet, als we haar gebruiken als een borrel of opium, die ons in een roes van kunstgenot brengt, waarin we de wereld vergeten. Dat kan zij alleen zijn als zij 1) ons diepste zelf uitdrukt en tegelijkertijd 2) ons kan brengen over die grens die ons scheidt van het heilige heen, waar wij zagen dat iedere kunst haar eind vindt. Het eerste kan zij wel, maar het laatste dus niet.

Maar kan de religie dit? Ook de religie, ons menselijk zoeken, brengt ons naar de grens van het heilige. En ook zij houdt daar op. Maar daar kan zij grijpen naar een hand die uitgestoken wordt, om het in dit menselijke beeld te mogen zeggen, zoals in het gedicht van Rilke [door Van der Leeuw in zijn betoog aangehaald]. Bij die grens geeft ons menselijk religieus gevoel een antwoord [aan] het Heilige, dat ons riep. God roept en wij antwoorden. Op de grens ontmoeten religie en geloof elkaar.

En daar, maar ook daar allèèn ligt niet ‘een’ mogelijkheid, maar de mogelijkheid, dat ook in de kunst het heilige wordt uitgedrukt. Van ons uit gezien kan dit niet, kan je alleen tot een zwijgende aanbidding komen. Vanuit het geloof is er een mogelijkheid dat God, die in de Bijbel zich openbaarde in het menselijk woord, het schone woord (denk aan de Psalmen en bijvoorbeeld het Johannes Evangelie, die als een gedicht zijn) en die zich aan ons heeft willen openbaren in een menselijke gestalte, dat God ook onze menselijke kunst zal willen gebruiken om er iets van Zijn heiligheid in uit te drukken.

Zo kunnen religie en kunst beide, als zij voor het heilige gestaan hebben, een antwoord worden."



Onvergetelijk natuurlijk ook zijn de overige rituelen! Bijvoorbeeld meteen na het ontbijt: de klank- en stemvormings- en ademhalingsoefeningen gebracht in verhaalvorm… (mooie voorbeelden in het kamp van 1962!) – Maar helemaal daarvoor nog: het wakker worden; na de door matineuze vrijwilligers verzorgde reveilleklanken een beetje huiverend allen gezamenlijk naar buiten, want vanaf 1946 hoorde ’s morgens vóór het ontbijt de driestemmige ‘Rozemond’-bewerking van Carla Kohnstamm te worden gezongen. Evenals ’s avonds, ook in de open lucht, in de beginjaren ‘Christe du biste licht ende dach’ in de driestemmige bewerking van Carla Kohnstamm; maar later meestal het vierstemmige ‘Nun will sich scheiden Tag und Nacht’ van Schütz. En vóór iedere maaltijd diens vierstemmige ‘Aller Augen warten auf Dich, Herre’, gevolgd door de wat banalere canon ‘Smakelijk eten altesamen!’ Na en soms reeds onder het eten barstten van diverse kanten al dan niet zo toepasselijke liederen los, maar daaronder ook altijd wel de ‘Grote Sultan’ die volgens de canon van Kuhlau zo goed gefuifd had.

En zo zijn we, terwijl daarbij het veelvuldig krijsen van de pauw niet mag worden vergeten, al even in de muzikale ervaringen beland. En vooral daarover moet het in dit bericht natuurlijk gaan. Maar even nadrukkelijk moet vermeld, dat de muzikale activiteiten tijdens de kampen beslist niet los stonden van andere. Renske beoogde kennelijk een breder cultureel spectrum. In dat raam pasten lezingen, declamatie, dramatische activiteiten. De te herstellen en verder te ontwikkelen echte volkscultuur was immers één – in een algemeen christelijk cultuurverleden geworteld – gemeenschapsgeheel: zang, dans, spel, creatieve werkvormen. En zo werd er dagelijks een paar uur gevolksdanst, heel puristisch: alleen Engelse dansen, die meer dan de “continentale” dansen de zuiverheid en puurheid van beweging, ook in melodieën, bewaard zouden hebben uit de bloeitijd van de volkskunst. Dit vanaf 1945 onder leiding van de geliefde Limburgse saterfiguur met zijn sopraanfluitje, Jan Cox, voor de hele week aan HNL afgestaan door het Ward Instituut uit Roermond, later de Stichting Ons Eigen Volk van Jop Pollmann te Amsterdam. Ieder jaar ook werd met veel overgave en plezier, vele jaren onder leiding van Wil Waardenburg, geoefend op een (leke)spel en soms nog wel andere (geïmproviseerde) dramatische werkvormen. Het was jarenlang ook Wil Waardenburg die zorgde voor de (bewerking van de) teksten (mededeling van Willy van de Vijzel). In 1951 stond declamatie op het programma (ballades van Weremeus Buning, poëzie van Aafjes). – Het zal allemaal aan de orde komen in de separate paragrafen over de verschillende kampen.

Uit die verslagen kan overigens – behalve een zekere “eilandmentaliteit”: tijdens het kamp van 1945 komen de in die week gevallen atoombommen in het geheel niet aan de orde! – ook een zekere restauratieve tendens gelezen worden, door de groepsleden kennelijk als een vanzelfsprekendheid geaccepteerd – en dat terwijl in de chaotische naoorlogse “boze buitenwereld” met allerlei nieuwigheden en losbandigheden allerlei andere normen groeiden. Zulks op velerlei gebied: levensbeschouwelijk, ethisch, politiek, sociaal, artistiek, literair, ja en ook muzikaal; een massieve, snel aan impact winnende moderne cultuur- en amusementsindustrie. Denk onder meer aan film, radio, dancings, café’s. En lees de verhelderende dissertatie van Ivo Weijers “Terug naar het behouden huis: Romanschrijvers en wetenschappers in de jaren vijftig” (1991). Overigens lijken Renske en de haren, enthousiast zich inzettend voor hun idealen, lang niet altijd die àndere wereld uit de eerste hand te kennen; typisch is bijvoorbeeld, dat wanneer in de kampnotities van 1950 de befaamde – in bepaalde kringen beruchte – roman “De avonden” (1947) van Simon Kornelis van het Reve even aan de orde komt, Renske de naam van de auteur verhaspelt, ze kent die gewoon niet – en het boek zelf wellicht evenmin. In datzelfde jaar ook blijkt angst voor de toegenomen populariteit van bioscoopvertier uit de daarbij meermalen vallende term “gevoelsvertroebeling”, die men aan films wijt. Dat H. Wielek dat jaar is uitgenodigd om zijn kritische kijk op deze cultuurvorm met de groep te delen getuigt overigens wel van zicht op het belang daarvan in de pas aangevangen nieuwe tijd.

Zeer verhelderend ten aanzien van deze materie is de dissertatie van Ido Weijers uit 1991: “Terug naar het behouden huis. Romanschrijvers en wetenschappers in de jaren vijftig. Amsterdam: SUA (Proefschrift Erasmus Universiteit)Voor die jaren ’50 (waarin de naoorlogse problematiek nog altijd bleef meespelen) zie ook Paul Luykx en Pim Slot (red.): “Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig” (http://dbnl.nl/tekst/luyk006stil01_01/index.htm )

Over het naoorlogse “zedelijkheidsoffensief, de Nederlandse Jeugd Gemeenschap en Nederlands Volksherstel: zie bijvoorbeeld Hans Righart: “De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict, Amsterdam-Antwerpen, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1995. Daar o.m. verwijzingen naar H. de Liagre Böhl: ’Zedeloosheidsbestrijding in 1945. Een motor van wederopbouw’, in: H. Galesloot en M. Schrevel (red.): “In fatsoen hersteld. Zedelijkheid en wederopbouw na de oorlog, Amsterdam 1987.

Maar laat ik hier nu eerst vermelden, dat Renske ook op andere dan muzische hulpkrachten een beroep heeft kunnen doen. Zo was er onder meer logistieke ondersteuning met meubilair en materialen vanuit Middeloo (o.m. matten!), de AJC en het Pieter Bloklands Gasthuis (pannen en gamellen!), de Markthal (gemeente Amersfoort: banken!), VCJC en/of Speeltuin (stoelen!) en de Huishoudschool.

Vooral echter een aantal personen moet worden genoemd. Want wat zouden de kampen zijn geweest zonder de organisatorische leiding, eerst van het koorlid Jan Neuteboom, van wie deze taak in 1954 werd overgenomen door Hans Meijers, gesecondeerd door zijn eega Janeke. Hans was toen pas als onderwijzer benoemd aan een school in Amersfoort Noord waar ook het HNL-lid Bea Modderman werkte. Hij bleek trouwens in de kampen tevens bekwaam muzikaal leiding te kunnen geven aan kleine groepen; en aldus was hij tot en met 1963 echt een centrale figuur in het Liedkamp. Zoals dat vanaf 1947 op andere wijze het geval was met Bets Munnik (vakleerkracht aan de Amersfoortse huishoudschool), per 1949 bijgestaan door Freddy Boterman, en later mede door Janeke Meijers. Hun vaardige kookkunst hield allen op de been, het waren uitermate dankbaar stemmende wonderen die daar op die iets afgelegen kookplaats werden verricht; ondersteund overigens met wisselende corveediensten door kampleden. Zo was er ook een sprokkelcorvee, om uit het bos brandstof aan te voeren (en het terrein schoon te houden); er moest afgewassen worden, brood gesmeerd, aardappels gejast, groenten schoongemaakt, enzovoort: taken voor diverse taakploegen. Er was bovendien een Commissie van Ontvangst, en zelfs een “minister van financiën” (en administratie), want niet alleen het (lage) kampgeld moest worden geïnd, maar ook de dubbeltjes voor wat er aan bladmuziek e.d. werd aangeschaft. Dat kon oplopen, want er was in de deel altijd een ruim voorziene “leestafel” ingericht, met uiteenlopende uitgaven en documenten: liedboekjes, partituren, studiewerken etc., grotendeels uit het privébezit van Renske.

Ook voor de muzikale aspecten kon Renske op hulp rekenen. Bevriende vakmensen, gast dan wel groepslid, zoals Wil Waardenburg, Rinus Kuyper, Gillis Dorleijn, Joke Koeyers, Jan Boeke, Jan Seyffert, Jan van Biezen, Piet Kunst, Elisabeth Tenhaeff en gevorderde oud-leerlingen, vaak een muziekopleiding volgend, zoals Greet Dorleyn, Tineke Cobben, Herman Waardenburg, Wil van de Vijzel, Hans Meijers, Jet van Rhijn, Jet Schalij, Bea Modderman, Grietje Oudenampsen, Tjalling Steenstra, Henk Waardenburg, Teun Apperlo, Mien Kret en talrijke anderen. Zij konden in de loop der jaren leiding geven aan het zingen of spelen in kleine of soms grote groepen. Trouwens, zeker in de beginjaren was het de bedoeling dat op den duur ieder HNL-lid dat zou leren; en inderdaad kregen toen velen gedurende de week één of meer keer de opdracht om met de groep een lied in te studeren. Het waren tot ver in de jaren vijftig echt werk- en studiekampen. En ook daarna kwam je er niet om te luieren… Al zal ook uit de notities van Renske blijken dat de kampen van lieverlee toch van karakter veranderden: steeds minder een opleiding, wel altijd het geluk van samen musiceren. Vaker ook door het in die week intensief instuderen van één niet zo gemakkelijk polyfoon werk uit de bloeitijd van de “oude muziek”. En daarmee bleef impliciet (nou ja, soms ook wel expliciet…) het vormingskarakter behouden ten aanzien van zin, waarden, smaak en kwaliteit: met grote inzet en consciëntieus muziek maken in een levende gemeenschap.

Voor de uren gezamenlijke algemene volksdansen was er Jan Cox, als dansleider werkzaam voor het Ward Instituut te Roermond; maar het leiden van de dans in kleine groepen, die waren samengesteld naar de mate van gevorderd zijn, werd ook toevertrouwd aan geroutineerde groepsleden. (En dat iedere corveeploeg een voorman of –vrouw had was natuurlijk wel heel praktisch!)

Over dat dansen een inzichtgevend citaat uit de bijdrage ‘De Liedkampen’ van de musicus Gillis Dorleijn in de “Feestelijke uitgave bij de viering van het 25-jarig bestaan van het Nederlandse Lied” (Paasheuvel, okt. 1965), pag.6:

Dan het dansen, een vorm van activiteit die van nature bij het zingen en spelen hoort: de lichamelijke beleving nl. van de muzikale zin. We mogen Jan Cox dankbaar zijn dat hij alleen Engelse dansen gebruikte: juist daarin is in melodie en in dansfiguren een doorstromen van beweging, die overeenkomt met wat ons musiceren moet zijn: de melodie als stroom. Deze doorgaande beweging hebben we geleerd bij het dansen met Jan, bij het musiceren met Renske.”

In latere jaren is in Renske’s cahiers sprake van een “voorkamp” met klein aantal personen (1959: 12; 1962: 10). Daar werden praktische voorbereidingen getroffen: de stookplaats, de afvalkuil, de afgietkuil, de hooikist in orde maken; de wasplaats afschutten met hekken, rietmatten en dekzeil; latrine graven; slaapplaatsen in gereedheid brengen (stro!); banken en stoelen schoonmaken; boodschappen en bezorging regelen bij kruidenier, slager, bakker (voor “plm. 60 personen)”. In 1958 had zich maar één jongen aangemeld – het graafwerk is toen door de meisjes verricht. Dat was niet naar Renske’s zin: “volgend jaar anders” noteert ze…

De ravitaillering was een hoofdstuk apart, waar de meeste deelnemers eigenlijk geen idee van hadden. Des te meer stond die onder de aandacht van de vaste kookploeg: Bets Munnik c.s.! In de loop der jaren was intussen wel een vaste routine gegroeid. – Van het met Pinksteren gehouden kamp 1963 is een boodschappenlijstje bewaard, waarop we o.m. lezen:



Bakker Van Beek: vrijdagavond bezorgen: 5 regerings-, 2 bruine broden, 1 wit, 80 repen koek.

zaterdagmorgen: 25 regeringsbr., 25 bruine, 1 wit, 120 sneden roggebrood

[groenteboer:] vrijdag of zaterdagmorgen plm. 7 uur: 2 ½ kg uien 7,5 kg aardappelen, soepgroenten (maggi, bloemkool, peterselie etc.); 6 kg rauwkost andijvie; 8 groene komkommers, 5 kg tomaten, sla voor 65 personen, bloemkool? 2 ½ kg appelen;

Slager De Schakel: 2 ½ kg soepbenen, 2 kg spek (dobbelsteentjes), 6 kg gehakt (zaterdag vroeg);

Kruidenier Veenendaal: als vanouds. Plus 2 koekkisten, 8 à 10 blikken – 4 ‘grote’



Er werd bepaald niet gehongerd, die dagen…



Na bovenstaande “helikopterview” kan (een transcriptie van) wat Renske noteerde in haar vijf Liedkampencahiers meer gedetailleerd zicht leveren op het reilen en zeilen in de afzonderlijke kampen en daarmee functioneren als bewijsvoering en illustratie van die grote algemene teneur.

Overigens verminderde steeds meer ook de omvang van Renske’s aantekeningen, naarmate het karakter van de kampen veranderde. Die waren immers begin jaren ’50 allengs minder vooral gericht op praktische en theoretische training van toekomstige volkszangleiders. Waren Renske’s notities aanvankelijk duidelijk een vorm van verslag, curriculumontwerp en voorbereiding van lessen, later worden het steeds meer uitsluitend voor ad hoc persoonlijk gebruik bedoelde, vaak losse aantekeningen en reminders.