AL ONZE DAGEN : LEVEN MET MUZIEK


De zanggroep HET NEDERLANDSE LIED in Amersfoort (1940-heden), deel 3:


DE JAREN NA DE BEVRIJDING




1. De door HNL verzorgde VARA-radioprogramma’s 1946-1952



In het vorige deel van deze geschiedenis van HNL is chronologisch te werk gegaan, aan de hand van de zo nauwgezet bijgehouden cahiers die Renske Nieweg heeft nagelaten. Ook in dit deel zullen haar schriften een voorname informatiebron betekenen. Maar we volgen het koor niet meer van repetitie tot repetitie. Gefocust wordt op enkele belangrijke onderwerpen. Hun samenhang kan verhelderd worden door het korte historische overzicht dat Jan Beijlsmit heeft samengesteld voor de jubileumbundel “Het Nederlandse Lied 1940-1980”, het zogenaamde “Gele boek”: Kroniek van het lied 1940-1980’, aldaar pagina 9 t.m. 25:


KRONIEK BEYLSMIT 1980 (in Gele Boek HNL 1940-1980)


Al direct na de bevrijding bleek HNL in het ontredderde Nederland lokaal en landelijk ingezet te kunnen worden in een enthousiast algemeen streven, vooral ook bij jongeren, naar maatschappelijke en culturele wederopbouw. Vaak waren het oude idealen die de weg moesten wijzen, zij het veelal in nieuwe, aangepaste vormgeving. Oude idealen – maar ook oude partijen, èn strijdpunten van vóór de oorlog. Niet alleen materieel en sociaal, vooral ook moreel leken land en volk in de vernieling – en daar leek dus zeker ook werk aan de winkel voor optimistische jongeren van diverse gezindten, die geestdriftig maar niet zonder ethische bezieling mee wilden bouwen aan grondslagen voor de betere wereld die nu moest komen. Hierbij werd – meestal onder leiding van wat ouderen – snel teruggegrepen op vertrouwde vormen en vorming uit het verleden: jeugdorganisaties, jeugdbeweging; op onderwijs en opvoeding. Zeker aanvankelijk werd echter bewust gepoogd om tot samenwerking te komen, verschillen van vroeger te overbruggen.


Renske Nieweg had haar pupillen: de leden van HNL al in de oorlog bewust willen voorbereiden op een leidende culturele taak in dat proces; HNL moest een Gideonsbende zijn, die met de eigen specifieke kundigheden ook bij anderen een nieuw, gezond moreel in leven zou roepen in de zo drastisch gewijzigde omstandigheden. Zo zagen we die explosie van activiteiten direct na de bevrijding, de inzet voor de Nederlandse Jeugd Gemeenschap, jazelfs medewerking aan het later toch wat reactionair blijkende Nederlandsch Volksherstel.


En in dit kader past ook de jarenlange verzorging van een tweewekelijks radioprogramma voor de VARA: “Viva la Musica”. Van december 1946 tot mei 1952 richt HNL zich, geleid door Renske die iedere keer zelf de toelichtingen uitspreekt, behalve tot andere geïnteresseerden expliciet tot jeugdleiders, onderwijskrachten en leiding in kostscholen en tehuizen.

Van die twintig minuten durende programma’s zijn geen opnamen bewaard; maar wel de door Renske uitgesproken teksten: zij heeft die zorgvuldig uitgeschreven in vier speciaal voor deze programma’s bijgehouden cahiers.



TOELICHTING OP DE VIER CAHIERS 1946-1955


WAARIN RENSKE NIEWEG DE RADIO-PROGRAMMA’S MET DE DOOR HAAR DAARBIJ UITGESPROKEN TEKSTEN HEEFT VASTGELEGD, DIE ZIJ IN DIE JAREN OP INSTIGATIE VAN DE NEDERLANDSE JEUGD GEMEENSCHAP TWEE KEER IN DE MAAND MET HAAR AMERSFOORTSE ZANGGROEP “HET NEDERLANDSE LIED” VOOR DE VARA HEEFT VERZORGD




1. De gescande documenten.



In de nalatenschap van Renske Nieweg, in 1940 oprichtster en tot 1980 dirigente van de Amersfoortse zanggroep “Het Nederlandse Lied” (HNL), zijn talrijke schriften bewaard, waarin zij journaal hield van haar muziekpedagogisch werken. Daaronder vier cahiers die betrekking hebben op het onder haar leiding tussen 1946 en 1952 voor de VARA tweewekelijks verzorgde radioprogramma “Viva la Musica”. Drie ervan bevatten in chronologische volgorde zowel de programmagegevens als de volledig uitgeschreven teksten van de door haar zelf daarbij uitgesproken toelichtingen. Mede omdat opnamen van die programma’s tot nog toe niet zijn teruggevonden, lijken deze aantekeningen een zeldzame historische bron, die ons nog een beeld kan geven van de naoorlogse pogingen tot herstel en vernieuwing van een levend volkslied in de Nederlandse samenleving.


Deze drie cahiers vindt u hier met inliggende losse blaadjes gescand toegankelijk gemaakt [de scanseries A, B, en C ]; dit samen met het vierde, dat voornamelijk Renskes administratieve aantekeningen bevat, betrekking hebbend op de groep Amsterdamse vakstudenten muziek, die vanaf 1949 de zanggroep eenmaal per maand kwamen ontlasten. Daarbij horen ook een aantal bewaard gebleven hier eveneens weergegeven recensies en andere documenten [de scanseries D, E en F ] .


De schriften zelf zullen uiteindelijk worden ondergebracht in een voor deze documenten geschikt archief. Dat zou het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) kunnen zijn, waar al een Renske-Nieweg collectie in het AJC-archief wordt bewaard; of het Eemland-archief, waar Amersfoorts materiaal berust. Behalve nog het Nederlands Muziek Instituut (NMI) zou natuurlijk ook het Meertens Instituut in aanmerking kunnen komen. Het zal aan de erven Nieweg zijn om dat te zijner tijd te beslissen.


Eveneens gescand zijn een aantal bladzijden uit een ander schrift van Renske Nieweg: het cahier waarin zij van 23 december.1944 tot 3 juni1946 aantekening hield van de reguliere HNL-repetities. In dat document is op die pagina’s sprake van een reeds op 28 februari 1946 voor de radio verzorgd programma, en later ook van grammofoonplaatopnamen voor uitzendingen in het voorjaar van 1946. Dat alles dus ruim vóór de eerste uitzending in de ‘Viva la Musica’-reeks op 21 december van dat jaar.


A HNL RADIO RENSKE CAHIER 1 (1946-1949)
B HNL RADIO RENSKE CAHIER 2 (1949-1950)
C HNL RADIO RENSKE CAHIER 3 (1950-1955)
D HNL RADIOKOOR AMSTERDAM RENSKE CAHIER 4 (1949-1952)
E RECENSIES A'DAMS MADRIGAAL ENSEMBLE (1951-1953)
F HNL-3 RADIO vr eind 1946 (in HNL3-cahier)


Behalve de bovengenoemde cahiers zijn hier nog enkele andere teksten gereproduceerd. Het betreft in twee HNL-jubileumboeken onder de leden van HNL verspreide stukken.

Als eerste de hierboven reeds genoemde en toegankelijk gemaakte “Kroniekdoor Jan Beijlsmit in het z.g. “Gele Boek” van 1980, omdat daar als het ware een skelet wordt geboden van de HNL-geschiedenis van 1940 – 1980. De passages over de radio-uitzendingen vindt u bij de jaren 1946 – 1952.



Als tweede een herinnering, in het jubileumboek van 1960 bijgedragen door Greet Jacobs; het stuk wordt daar gevolgd door een kort informatief naschrift van Renske Nieweg



G HNL VARA 1946-1955 herinneringen 1965 Greet Jacobs




2. Toelichting bij de inhoud van de schriften.



Tal van publicaties hebben ons er in de loop der jaren op gewezen, dat in de ontredderde Nederlandse samenleving van na de bevrijding op 5 mei 1945 een diversiteit aan bewegingen valt waar te nemen, conservatieve en progressieve, die geestdriftig willen werken aan een herrijzend Nederland – maar dat dan vaak onder koestering van heel verschillende idealen. Herstel en vooruitgang, opbouw en vernieuwing – maar vaak wel zeer met de vooroorlogse verhoudingen en vanzelfsprekendheden als richtsnoer. Er is tijdens de oorlog in diverse kringen al stevig nagedacht over de sociale en maatschappelijke situatie van na de bevrijding, over geestelijke en culturele normen en waarden, over rechten en plichten, over wat goed zal heten en wat slecht, over politiek en economie. Na de bevrijding barsten er allerlei initiatieven los, vaak al jaren in stilte voorbereid.

Het is voor ons soms moeilijk om ons er een beeld van te vormen, hoe moeizaam geprobeerd werd een nieuwe weg en de juiste richting te vinden: een werkzame manier waarop een nieuwe en betere toekomst verwezenlijkt zou kunnen worden, ondanks de totale ontreddering, de persoonlijke noden, de vele onduidelijkheden, de grote onzekerheid van het moment. Enerzijds wist men vaak niet beter dan terug te grijpen op oude idealen; anderzijds realiseerde men zich dat de wereld grondig veranderd was en dat in veel opzichten radicale vernieuwingen noodzakelijk en onvermijdelijk waren. De euforie van bevrijd zijn werd maar al te spoedig getemperd door zich op zoveel terreinen manifesterende uiterst problematische tegenstellingen: politiek en levensbeschouwelijk, ethisch, moreel en cultureel; economisch, persoonlijk en maatschappelijk; nationaal en internationaal; zowel op makro- als op microniveau.


Hieronder vindt u enkele verwijzingen naar soms minder vriendelijke interpretaties van wat zich in die naoorlogse jaren heeft afgespeeld. In het naoorlogse jeugdbeleid – en niet alleen daar! – zou zich op verkrampte wijze een menging van oud en nieuw hebben afgetekend in de manier waarop zich daarin het waardenpatroon van de vooroorlogse generatie weerspiegelde.


Over het naoorlogse “zedelijkheidsoffensief, de Nederlandse Jeugd Gemeenschap en Nederlands Volksherstel: zie bijvoorbeeld Hans Righart: “De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict, Amsterdam-Antwerpen, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1995.

Daar o.m. verwijzingen naar H. de Liagre Böhl: ‘Zedeloosheidsbestrijding in 1945. Een motor van wederopbouw, in: H. Galesloot en M. Schrevel (red.): “In fatsoen hersteld. Zedelijkheid en wederopbouw na de oorlog, Amsterdam 1987.


Zie http://www.dbnl.org/tekst/righ002eind01_01/colofon.htm

en daar bv. de tekst bij: http://www.dbnl.org/tekst/righ002eind01_01/righ002eind01_01_0009.htm

Daaruit het volgende citaat:


Zoals gezegd gaat het hier niet zozeer om het falen of succes van het naoorlogse jeugdbeleid, maar om de manier waarop het waardenpatroon van de Vooroorlogse Generatie zich erin spiegelt. In de bemoeienis met de jeugd tekent zich een verkrampte menging van oud en nieuw af. De jeugdleiders die de jeugd naar hun ideaal trachten te vormen, grepen na de oorlog duidelijk terug op de antimoderne en sterk romantische houding van de jeugdbeweging uit het interbellum. Die houding richtte zich tegen het materialisme en individualisme van de modern-industriële samenleving, tegen het uitgaansleven met zijn ondeugden van roken, drinken en geërotiseerde sekseverhoudingen. “


Zeer verhelderend ten aanzien van deze materie is ook de dissertatie van Ido Weijers uit 1991: “Terug naar het behouden huis. Romanschrijvers en wetenschappers in de jaren vijftig. Amsterdam: SUA (Proefschrift Erasmus Universiteit). Voor die jaren ’50 (waarin de naoorlogse problematiek nog altijd bleef meespelen) zie ook Paul Luykx en Pim Slot (red.): “Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig(http://dbnl.nl/tekst/luyk006stil01_01/index.htm )



In een maatschappelijk klimaat, waar opgewekte wederopbouw wel centraal moest staan, leidde dit tot soms merkwaardige (mirabile dictu:) moderniserend-restauratieve initiatieven en organisaties. De al van vóór de oorlog daterende beweging met het ideaal van herstel en vernieuwing van een levend volkslied in een als gemeenschap functionerende samenleving lijkt goed te passen in een dergelijk kader. Het volkslied – binnen HNL als sinds 1940 in het voetspoor van Pollmann c.s. gepraktiseerd als niet alleen persoonlijk verrijkend, maar ook gemeenschapsbesef kwekend en nationaal bewustzijn bevorderend – diende gepropageerd, en dat dan vooral binnen onderwijs en jeugdbeweging, in dienst van een optimistisch en positief gezind maatschappelijk idealisme.


De gewiekste docente Renske Nieweg, evenzeer idealistisch-optimistisch als praktisch-realistisch, kon zelf terugvallen op de haar vertrouwde en in de loop der jaren gerijpte (vrijzinnig-) christelijk-humanistische waarden, die zij vanaf haar schooljaren ook in de socialistische jeugdorganisatie AJC had herkend. Dat ethos zag zij als betrouwbare en vereiste voorwaarde voor een gezonde ontwikkeling, en dan wel in een sfeer die in de politiek het etiket “Doorbraak” heeft gekregen. Werkend voor een socialistische microfoon schuwde zij niet om geregeld, ja dikwijls, aandacht te hebben voor het geestelijk volkslied; zich dan vaak aansluitend bij algemeen christelijke feestdagen van het kerkelijk jaar. De teksten van tal van liedjes (met name de ambachtsliedjes!) boden bovendien ook gelegenheid tot lichtelijk (vooral sociaal) moraliserend commentaar. Zij moet het als strenge opdracht èn blij makende taak hebben ervaren om in die trant aan volksopvoeding te werken, als koorleidster en als pedagoog.


Met haar zanggroep, qua levensbeschouwelijke samenstelling vanaf het begin al echt een “doorbraak”-club avant la lettre, had zij al tijdens de oorlog bewust toegewerkt naar de verwachte nieuwe situatie; de leden zouden een Gideonsbende van zangleiders en –sters moeten vormen, en werden daarop al die jaren bijna wekelijks getraind. De groep stond in mei 1945 klaar om ingeschakeld te worden – en dat gebeurde ook, lokaal èn nationaal.

Onder veel meer moest zij in maart 1947 optreden bij de oprichting in Utrecht van de Nederlandse Jeugd Gemeenschap (NJG); later ook bij lokale initiatieven elders van die organisatie. Al in februari 1946 had de groep een optreden voor de radio gehad. En het was de NJG, die ervoor zorgde dat HNL vanaf 21 december 1946 tot 29 mei 1952 iedere twee weken een kwartier – later 20 minuten – een programma zou gaan verzorgen, dat expliciet gericht was op een doelgroep van onderwijzers en jeugdleiders (alsook internaatsleiding: 2 sept. 1950), en even expliciet nìet bedoeld was als een luisterconcert, maar als een propagandistisch en didaktisch middel tot eigen actieve zangbeoefening in den lande; met name dus ten dienste van de jeugdopvoeders, die daar immers een serieus te nemen taak in hadden.

Expliciet: want vanaf het begin en daarna herhaald als zodanig geafficheerd in de door Renske Nieweg uitgesproken begeleidende teksten. Didaktisch ook in die zin, dat veel liederen niet alleen verklarend en in hun tijd plaatsend (maar wel naar het heden geactualiseerd) werden toegelicht, maar ook bewust vaker in een programma werden opgenomen; en dat dan met expliciete aandacht voor muzikale en tekstuele aspecten, alsook voor mogelijke problemen wanneer ze door de doelgroepen mochten worden overgenomen.



3. Enkele punten die (herhaaldelijk) in de uitzendingen ter sprake kwamen



Op zaterdag 21 december 1946 werd tussen half twee en kwart voor twee het eerste door HNL voor de VARA verzorgde (maar in de AVRO-studio opgenomen) programma uitgezonden. Dat begon met de canon ‘Viva la musica’; maar anders dan in de radiobladen aangekondigd was deze uitzending van de socialistische omroep verder geheel gewijd aan de kersttijd: ‘Maria die zoude naar Bethlehem gaan’, “Van vrouden de kinderkens zingen, ‘Ons is geboren een kindekijn’, de canon ‘Ere zij God in den hoge’, ‘Herders hij is geboren, ‘Wij komen alle drie uit vreemde landen’, ‘Uit Oostenlanden’.


De inleiding door Renske zette al meteen de toon met een soort beginselverklaring:


Luisteraars, dit is de eerste van een reeks uitzendingen, die om de veertien dagen op Zaterdagmiddag zullen plaats hebben. Deze uitzendingen worden georganiseerd door de Nederlandse Jeugd Gemeenschap en wij zullen in deze geregelde kwartiertjes het Nederlandse volkslied zingen.


Bovendien is het de bedoeling dat wij in iedere uitzending één lied iets nader bekijken, misschien wijzen op enkele moeilijkheden in de tekst of de melodie, zodat onze luisteraars in het land bij het zelf zingen hier iets aan hebben.


Want dit wil ik toch wel met klem naar voren brengen: deze uizendingen van het Nederlandse Lied hebben geen andere bedoeling dan het zelf zingen van ons eigen lied te bevorderen. Geen “uitvoering” dus, die in zichzelf doel heeft, maar eenvoudig ons eigen volkslied meer bekend en vertrouwd maken, zodat het zingen, vooral in de jeugdbeweging, maar misschien ook daarbuiten hierdoor gestimuleerd wordt.


Omdat deze uitzendingen maar een kwartier duren, zal ik niet veel meer zeggen; alleen moet ik nog twee opmerkingen maken.

In de eerste plaats: de meeste liederen die we zullen zingen staan in de bundel “Nederlands volkslied”, verzameld door Jop Pollmann en Piet Tiggers. Gelukkig is deze mooie bundel nu weer te krijgen en u kunt daar verreweg de meeste liederen in vinden.

En dan in de tweede plaats is er door een misverstand het lied O Nederland let op uw saeckin verschillende radiobladen opgenomen als het lied waar we vandaag extra aandacht aan zouden besteden. Nu we echter vlak voor Kerstmis staan, willen we graag deze eerste uitzending in zijn geheel aan het Kerstlied wijden.”


Bij enkele liedjes zei Renske dan kort nog iets over wat de tekst ervan ons vertelt.


In de uitzending van 7 oktober 1950 zal zij nogmaals, en iets uitvoeriger, uiteenzetten wat de bedoeling van dit VARA-programma is: opnieuw een soort beginselverklaring, dan aan het begin van een nieuw seizoen, waarin de uitzendingen zullen functioneren in een vernieuwd kader. Maar daarover later in dit opstel.


In de cahiers noteert Renske geregeld dat tijdens de uitzendingen de tekst niet alleen wordt gezongen, maar ook voorgelezen. Toelichting bij liedteksten zal tot aan het eind van de reeks het leeuwenaandeel van de begeleidende woorden van Renske vormen; een toelichting ook, die de liedjes enerzijds in hun historisch verband wil plaatsen, maar ze dikwijls tevens weet te actualiseren voor het heden Valerius-liederen uit de tachtigjarige oorlog bijvoorbeeld kunnen in het Nederland van de jaren veertig: bezetting, nood, bevrijding, al heel snel óók een eigentijdse betekenis krijgen. Algemeen menselijke gevoelens, verwoord in teksten uit het verleden, kunnen ook uitdrukken wat in het heden wordt beleefd en ervaren. Actualiseren doet Renske ook door bij de programmering rekening te houden met het jaargetij van de uitzendingsdatum, en met feest- of herdenkingsdagen: bevrijdingsdag, dodenherdenking, Sinterklaas, Kerst, Driekoningen, Pasen, jazelfs het uitvaren van de walvisvaarder Willem Barentz (4 okt.1947). Nog weer anderszins actualiserend is ook haar toelichting op 3 september 1949 “een spotlied op ons allen voor zover we niet ons zelf durven zijn” naar aanleiding van de malle Duinkerkse meisjes in ‘Te Duinkerk gaat het al verkeerd: Pollmanns “algemeen menselijke waarden in het volkslied” èn het naoorlogse moralisme in één adem: de meisjes in zijden rokjes en met marokijnen schoentjes, terwijl de jongens slechts over (gewoon) leren broeken en klompen beschikken…

Veel oude liederen hebben levenskracht, méér dan tal van recentere producten, vindt zij. “Geen jonger lied dan een oud lied” noteert ze; en: waarom wèl Rembrandt, maar geen oud lied? Trouwens: hoezo oud? Veel liederen zijn een paar honderd jaar doorgezongen, zijn pas plm. 1900 uit de volksmond opgetekend; het gaat dus om een traditie die nog maar betrekkelijk pas is verbroken (10 juni 1950)! En hoe bruikbaar binnen de jeugdbeweging zijn niet sommige verrassende kolderliedjes als ‘Pier Verdonken ‘Toen ik laatst naar Den Bosch toe ginguit “Kinderzang en kinderspel” (4 maart 1950)… In haar geloof dat het volkslied ook in Nederland nog echt leeft, is zij soms zelfs stelliger dan haar leidsman Jop Pollmann. Die is over het lied ‘Christus is opgestandenin zijn “Burgerlijke stand van ‘Nederlands volkslied’(1949, uitgaafje van de Stichting voor Nederlandse volkscultuur “Ons eigen volk) heel wat minder expliciet dan Renske: zij verwijst op 1 april 1950 ook naar Ootmarsum, maar er dan aan toevoegend: waar je die paasliederen “door jong en oud op straat en overal hoort zingen”.

Nog weer op een andere manier actualiseert Renske ( o.m. kerst-) liedjes bijvoorbeeld door te attenderen op bekende, verwante voorstellingswijzen in de schilderkunst (10 december 1949, 1 april 1950)



Allerlei genres komen aan bod: ambachtsliederen (wevers, timmerman, boeren, vissers, scherensliep, stoelenmatters), liefdesliederen, meiliederen, dansliedjes, spotliedjes, soms ook verhalende liederen (ballades: 5 maart 1949, 16 juni en 6 oktober 1951; ook de liederen uit passie- en paastijd hebben minder dan kerstliedjes een verhalend karakter: 1 april 1950), religieuze liederen (advent, kerst, paas, lijdenstijd), historische liederen (Valerius, geuzenlied), spelliedjes, wandel- en marsliederen (maar die dan niet “knauwen”, “hakken” of “stampen”, nee: “gaand” te zingen). En vanaf 1948 ook al veel kinderliedjes.


Dat laatste onder verwijzing naar de in 1947 bij De Toorts uitgekomen bundeltjes “Kinderzang en kinderspelvan Kes, Pollmann en Tiggers. Van diezelfde uitgever wordt al in de eerste uitzending verwezen naar “Nederlands volksliedvan Pollmann en Tiggers. Nieuwe edities daarvan, en recent verschenen andere liedbundels worden trouwens geregeld gesignaleerd. Natuurlijk worden de kleine, goedkope NJG-bundeltjes nogal eens genoemd: “De grote klok1948, “De bruiloftsklok1949. Maar ook het bundeltje “Weest nu verblijdvan de Jonge Kerk (1949, Hervormde Jeugdraad – De Toorts), Brunings “Het geestelijk lied van Nederland(1948, De Toorts) en Carla Kohnstamms “Zingen dat willen wij(1951, Arbeiderspers) krijgen aandacht. Op 17 november 1951 komt Sinterklaas aan bod uit de kleuterliedjesbundel van Annie Langelaar.

In de gehele programmareeks zijn 204 verschillende liedjes gezongen, waarvan talrijke – geheel naar de didactische opzet – meermalen: om de doelgroep er vertrouwd mee te laten worden. 165 van die liedjes zijn ook door de Amsterdamse groep muziekstudenten ingestudeerd, die vanaf januari 1949 de Amersfoortse Lied-groep kwamen ontlasten.


Er wordt trouwens niet alleen eenstemmige muziek gezongen: al in de eerste uitzending zijn er canons. En dat is een bewuste keus. Al in de vierde uitzending (2 februari 1947) brengt ze die ter sprake: canons leren je naar elkaar te luisteren en op de samenklank te letten. Volksliedjes zijn in het gebruik aan veranderingen onderhevig, canons nooit; daarin worden dan ook niet de eigenschappen van het volk uitgedrukt zoals wel in het volkslied [de toen sterk levende en door Renske Nieweg in die periode aangehangen visie. RM]; dus kan je dan ook best buitenlandse canons zingen…

In latere jaren komen er zelfs steeds meer moeilijke specimina aan bod – en die dan niet alleen van Nederlandse herkomst (wel vaak op Nederlandse teksten gezongen): Clemens non papa, Haydn, Mozart, Sweelinck, Kuhlau, Beethoven, Gumpelzhaimer, Vulpius, Praetorius en vele andere componisten; onder wie ook modernere: Ebbenhorst Tengbergen, Suter, Joop Schouten, Han van Koert, Karl Marx, Andries Hartsuiker e.a.

Als belangrijke bron noemt Renske Jöde’s “Der Kanon, maar ze noemt herhaaldelijk ook recentere uitgaven, zoals “Nieuwe Canonsvan Geraedts, Van Koert, Schouten en Strategier (Den Haag 1948).

Er zijn in de gehele programmareeks 109 verschillende canons gezongen – ook daarvan vele meermalen. In het cahier “Radiokoor Amsterdam” noteert Renske er 87 die ook door de vakstudenten muziek zijn ingestudeerd.


Al vroeg komt ook eenvoudige meerstemmigheid aan bod: zettingen van Carla Kohnstamm, Miep Zijlstra, Marie Veldhuyzen; één keer ook een zetting van Jan Boeke. Oudere stukken echter minstens even vaak: onder (veel) meer van Clemens, Ossiander, Vulpius, Morley, Resinarius, Dowland, Schein. Op 8 september 1950 werden de luisteraars attent gemaakt op Walther Lipphardts vaak herdrukte Bärenreiterbundel “Gesellige Zeit[deel 1], waarvan de eerste uitgave al uit 1933 dateert. Ook worden de in 1949 en 1950 verschijnende deeltjes “Lusthof der lekenmuziekgemeld, en de “Toortsbladen. Oude vocale muziek voor hedendaags gebruik gereedgemaakt(Gerrit Vellekoop, omstreeks 1951). In 1951 werd ook de oprichting van de Vereniging voor Huismuziek onder de aandacht gebracht. In latere jaren, bijvoorbeeld in de “beginselverklaringen” van 7 oktober 1950 en 16 juni 1951, komt gezongen en/of gespeelde eenvoudige meerstemmigheid uitdrukkelijker ter sprake

In totaal werden tijdens de uitzendingenreeks 58 meerstemmige stukken ten gehore gebracht, alle als voorbeeld van muziek die voor leken met serieuze inzet van bereikbaar niveau geacht mag worden. De lijst voor “de Amsterdammers” telt 48 genommerde, plus 15 ongenommerde stukken.



Het was voor de kritische Renske typerend, dat zij immer op de positieve aspecten gericht was. Slechts een enkele keer hoorde men haar negatief uithalen. Zo bijvoorbeeld op 10 juli 1947, wanneer de uitzending inspeelt op zangbehoeften tijdens de komende zomerkampen van de jeugdbewegingen. Dan is er een hatelijkheid jegens die “zouteloze kolder” over “de toren van Zaltbommel, bommel…”. Eerder (21 juni van dat jaar) had zij al de kracht van ‘Waar dat men zich al wendt of keert’ geponeerd tegenover het “onaanvaardbare karakter” van liederen van Jan Pieter Heije en Hendrik Tollens, vanwege de daar uitgegalmde “rhetorische op de borstklopperij”.

Dat zingen in de kampen noemt ze op 25 juni 1949 “over ’t algemeen niet verheffend”: “ofwel [schlagers] blèren, ofwel een geestelijk lied, en dat dan veel te langzaam en te zwaar”. Terwijl, betoogt ze, zo een week ook heel anders kan: waar je in een geest van vriendschap en saamhorigheid voor het hele jaar zowel geestelijk als lichamelijk kracht op kan doen, in een gezonde frisse geest bij elkaar, zonder banale en sentimentele uitingen, tenzij als parodie!



Ja, heropbouw van een goede volkscultuur en smaakvorming heeft Renske Nieweg beslist ervaren als een opdracht. En zij heeft zich gerealiseerd dat haar werken slechts een schakel kon zijn in een langdurig proces. In de uitzending van 7 januari 1950 spreekt zij dat uit in haar programmatische nieuwjaarswens:


Maar nogmaals: wij zijn niet in staat het grote verval waarin onze hele volkscultuur verkeert op te heffen. Het gaat er maar om dat we bereid zijn naar ons kunnen te werken aan herstel en opbouw.”


Esthetiek en ethiek lagen in ieder geval voor haar heel dicht bij elkaar. Op 29 november 1947 – ieder jaar begint ze uit didactische overwegingen heel vroeg met kerstliederen – zegt ze over de eenvoud van veel kerstliedjes:


hun grote eenvoud en soberheid, ik zou bijna zeggen hun innerlijke stilte. Alle uiterlijkheid en alle bravour-schijn missen we hier en ofschoon we dagelijks in deze schijn en bravour zitten – kijk de bazars er maar op na – is er tòch iets in ons, dat verlangt naar deze oprechte zuiverheid. En ik geloof dat dit een van de redenen is, waarom we deze liederen zo mooi vinden. Helaas is dat niet met alle kerstliederen het geval, er zijn veel bombastische, niet-eenvoudige kerstliederen. Maar hebben we nu eenmaal dit onderscheid leren voelen, dan weten we ook dat deze overdadige kerstliederen al heel weinig overeenkomen met de geest van het geboorteverhaal van Christus. En daar gaat het tenslotte toch om. – “



Maar ook: “waarom zingen we? Het vrij-worden-van ons zelf” en: “Een zingend mens is een moedig mens” (1februari 1947). Als Renske iets vertelt over de eigen, levensbeschouwelijk zo gemengde zanggroep (15 februari 1947) accentueert ze de gemeenschapsbeleving die daar, bij zoveel verschillende levensovertuigingen centraal staat. Gemeenschapsvorming is altijd een door Pollmann geaccentueerd doel van volkszang geweest, een ideaal dat ook in de niet-confessionele jeugdbeweging van de jaren twintig en later sterk heeft geleefd. “Niet de schoonheid maar de mens op de eerste plaats”.zegt Renske nu – maar van oudsher is ook “dienst aan de muziek” haar leidraad geweest, juist ook in haar AJC-jaren van vóór de oorlog..



De uitgesproken didactische bedoeling van de programma’s wordt gedurende al die jaren talloze malen duidelijk gemaakt, door betoog, aanwijzingen en suggesties betreffende diverse aspecten.

Belangrijke doelstelling is en blijft (in het spoor van Pollmann!) het stimuleren van het zèlf (gaan) zingen, het plezier daarvan. (10 mei 1947). Het hoeven echt niet allemaal diepzinnige liederen te zijn, waar je je aan wijdt. Zo zegt ze op 29 november 1947, als toelichting op ‘Springt op en toon je schoen:


Veel mensen, ook jonge mensen, zijn verleerd het zingen om het pure plezier van het zingen, om de gezelligheid, om de humor die in een heel gewoon liedje zit. En juist het plezier in die gezellige liedjes waarin we nu eens niet een bepaalde gedachte vorm willen geven”


Maar in datzelfde programma – zie hierboven – maakt ze aan de hand van kerstliedjes duidelijk dat bij dat zingen ook heel andere menselijke kanten kunnen worden aangesproken. Ook acht Renske belangrijk jongeren in aanraking te laten komen met onbekende grote componisten van vroeger, zoals bijvoorbeeld Monteverdi (2 september 1950; n.a.v. ‘Wel was ik eertijds vrij’, driestemmig te vinden in De bruiloftsklok).

Didaktisch bedoeld is natuurlijk ook de overvloed aan tekstverklaringen en toelichtingen die de gezongen liederen in hun historische context plaatsen: een voorbeeld voor wie uit de doelgroep de jeugd wil laten zingen.

Renske Nieweg zelf toont zich nog op 15 april 1950 een volgzame aanhangster van Pollmann-theorieën uit de jaren dertig, wanneer zij bij verschillende melodie-versies van ‘De mei die ons de groente geeft’ op 15 april 1950 “de Nederlandse vorm strakker dan de Duitse” verklaart.



Wij citeerden al Renskes tekst in de eerste uitzending. In de volgende programma’s wordt de aandacht steeds vaker gevestigd op zangtechnische aspecten (ademhaling, stemvorming en -gebruik, stem los zingen, uitspraak, tempo, ritme). Maar vooral ook op muzikale en esthetische waarden: opbouw van melodie (“bogen breed spannen, zonder te zwaar te worden”, “verend, licht, stuwend, gebonden zingen”, “geen stukjes zingen maar de hele zin”, “de opmaat licht!”, “ruimte van de stem gebruiken”, “zwaar en log zingen doet zakken” – enzovoort).

21 maart 1952: aandacht voor een “grote en wijde melodie” waarvan het verwonderlijke is dat die nauwelijks de zes tonen overschrijdt (bij ‘O lustelijke Mei). “Beweeglijk zingen”: zonder de maatstrepen (12 januari 1952, bij ‘Komt en laat ons’). En hoe in Clemens’ ‘Sanctus, eveneens zonder maatstrepen, geen zware en lichte maatdelen bestaan, maar rustig op de slag van de hele noot gezongen moet worden (31 mei 1952).

Het verschil tussen “dood” en “levend” ritme bij het zingen; dat “verend” en “licht” moet zijn; het belang van de medeklinkers daarbij (17 mei 1952).

Over de rusten heen zingen, want die mogen geen gaten worden”: 19 april 1952, naar aanleiding van de canon ‘O Nederland weest nu verblijd:


integendeel, de melodie beweegt zich over de rusten heen. De rusten gebruiken we om er de slotmedeklinkers van de laatste lettergreep op af te sluiten”.


Op 30 september 1950 bespreekt Renske een canon van Claude Lejeune (‘Alleluja):


waarvan de melodie op een hoge toon breed inzet. Het is alsof de melodie zich vanaf dat begin tot aan het eind toe zich steeds meer ontspant, wat zich uit in een dalende melodiebeweging tot aan de grondtoon toe en het steeds lichter, bewegelijker worden van het rhythme. “t Is goed dat we onze zingende groepen een dergelijk muzikaal gebeuren bewust laten worden, vóór we het lied als canon zingen, waarbij in dit geval zeker de alt en de bas een kwint lager inzetten, maar zij blijven het lied in dezelfde toonaard zingen. Deze canon kan niet doorgezongen, herhaald worden, we sluiten af en herhalen dan het hele lied”

Haar adviezen laat ze door de zanggroep zingend illustreren. Op 15 juli 1950 (II p85) zijn haar praktische aanwijzingen erop gericht om te demonstreren hoe je een lied aan een groep moet leren:


Wanneer we de groep een nieuw lied leren is het belangrijk dat we dit op zo veel mogelijk verschillende manieren doen. Dit houdt de spanning er in. Er zijn zangleiders die ieder lied op precies dezelfde manier van een regel vóór en na laten zingen benaderen. Daar is natuurlijk gauw het plezier van de groep af.. Hoe dan wel? Dat hangt van de bouw van het lied af maar in ’t algemeen kan ik toch wel zeggen: we gaan uit of van de tekst, of van de melodie, of van een karakteristiek rhythme of van het refrein bijvoorbeeld. Dit laatste zou ik dan bv. in de ‘Bonte vogelvlucht’, nadat we het lied één keer doorgezongen hebben om de groep en de zangleider een totaalindruk te geven, eerst het refrein leren. Dàn zingt de zangleider het couplet, en de groep valt in bij het refrein. Op deze manier zingen we alle coupletten. Het resultaat is dat na afloop de groep nu ongemerkt ook de melodie van het couplet al kent en we moeten alleen de tekst van de coupletten, en dat gaat gauw, want die hebben ze ook al gehoord. Steeds moeten we erop uit zijn, zo vlug mogelijk aan ’t zingen, aan ’t musiceren te komen met elkaar!”


Je moet ook beseffen dat er liederen zijn die je véél moet zingen voor ze tot je eigendom worden en je er de waarde van kunt ervaren (1 april 1950, bij ‘Wat zetten ze Onzen Lieven Heer op zijn hoofd). In diezelfde uitzending wijst ze op het verschil tussen kerst- en paasliedjes: bij de laatste ontbreken verhalende liederen geheel.

En dat in de literatuurles alleen lezend kennis wordt gemaakt met teksten van liederen is niet juist: je moet liederen zingend leren kennen: “zo werden ze gedacht, melodie en gedicht vormen één geheel”! (10 juni 1950, bij ‘Ghequetst ben ic van binnen).

Van didactisch belang voor de doelgroep die in het onderwijs werkte was ook de raad (21 januari 1950) om op school niet te vroeg met canons te beginnen; de natuurlijke groei van het kind dient gerespecteerd! Voor kleuters is vooral het ritme van belang; gevoel voor harmonie en melodie komen pas veel later – daarom het zingen niet begeleiden met piano! En pas in de vierde klas canons! Op 3 november 1951: Voor kleine kinderen geen liedjes met grote omvang!



Vanaf 19 februari 1949 zal Renske Nieweg haar didactische gaven op een ongewone wijze moeten inzetten. Vanaf die datum namelijk krijgt zij voor haar programma’s ondersteuning van een groepje (16 à 20) Amsterdamse vakstudenten muziek. Die zullen onder haar leiding voortaan de uitzendingen alternerend verzorgen met het Amersfoortse koor; voor dat laatste waren de frequente tocht naar Hilversum en de veeleisende voorbereiding van een tweewekelijks daar te zingen programma inmiddels een te drukkende last geworden.


De radioprogramma’s veranderden daarbij in geen enkel opzicht van karakter. Maar beroepszangers, die ineens volksliedjes moesten gaan zingen, vroegen om een aangepaste aanpak; Renske heeft later wel eens verteld dat het niet simpel was om jonge musici die in hun opleiding veelal professioneel getraind werden op romantische expressiviteit om te turnen tot de eenvoud en ongekunsteldheid zoals door volksliedjes vereist. Daar zijn ook sporen van te vinden in de cahiers. Bij 14 mei 1949 lezen we: “smekend, niet smachtend”, “objectief – wel indringend”; alsook de aansporing “eenvoudig zingen”. – De verhouding met de Amersfoortse groep was overigens plezierig; de Amsterdammers werden uitgenodigd om deel te nemen aan het jaarlijkse zomerkamp van Het Nederlandse Lied op de Ooievaarshorst, en velen hebben daar gevolg aan kunnen geven, aldus ook een wederzijds verrijkende inbreng bijdragend tijdens die inspirerende, gezellige, maar intensieve muziekweek op de Leusdense boerderij.



Twee keer is het kader van de serie radio-uitzendingen gewijzigd. Werd begonnen met een tweewekelijks programma van vijftien, na 9 september 1948 twintig minuten op de zaterdagmiddag, vanaf de 81e uitzending veranderde dat; en Renske begint in (tweede) cahier dan een nieuwe nommering. Vanaf 7 oktober 1950 wordt de reeks wekelijks voortgezet, maar dan steeds met uitzendingen van gemiddeld tien minuten, nu ingebed binnen een nog steeds door de NJG bij de VARA georganiseerde reeks jeugduitzendingen “Blaast de trompetten”. Weer op zaterdagmiddag; en opnieuw startend met een beginselverklaring van Renske (cahier II, pp 94-98). Haar nu uitvoeriger geformuleerde visie is vertrouwd: zeer verwant aan die van de AJC, waarin zij voor de oorlog als muziekleidster functioneerde. Positief over de vele recente mogelijkheden voor muzikale ontwikkeling (jeugd- en volksconcerten, radioprogramma’s etc.) – maar…:


wij moeten “niet vergeten dat wij pas weer werkelijk deel krijgen aan de cultuur door zelf actief aan de gang te gaan – hoe eenvoudig dan ook. […] Wij kunnen ons Nederlandse muziekleven nooit gezond maken wanneer het niet berust op eigen muzikale activiteit, op grote schaal en in velerlei vorm. Dan wordt het luisteren ook pas belangrijk. De 19e-eeuwse muzikale ontwikkeling was grotendeels individualistisch gericht, het ging om persoonlijke muzikale bevrediging en wij weten allen, hoe dit eigenlijk alleen een privilege was van het maatschappelijk-bevoorrechte deel van ons volk. Vandaar dat het grootste deel nooit met kunst in aanraking kwam […]

Naast deze individualistisch gerichte ontwikkeling hebben wij in onze tijd weer opnieuw een andere mogelijkheid leren kennen: n.l. die van het gemeenschappelijk musiceren. Wat kan het samen zingen en spelen in gezin, kerk, jeugdbeweging en school een grote invloed hebben op de geest en het saamhorigheidsgevoel van al deze grote en kleine gemeenschappen. Er gaat een grote bindende en bevrijdende kracht van uit en bovendien hebben wij hier een prachtige mogelijkheid om tot vormgeving van ons leven te komen – en niet in de laatste plaats wat betreft het vieren van feesten.

Maar hoe willen wij dat dan, dat deel hebben aan de cultuur? Wij kunnen toch niet met elkaar een symphonie van Beethoven gaan spelen. Want dat is toch cultuur?

Nu luisteraars, de zaak ligt anders. De volksmuziek in zijn verschillende geledingen van kleuterlied, kinderlied, volkslied (geestelijk en wereldlijk) samen met het spelen op eenvoudige instrumenten geeft ons de mogelijkheid met elkaar in eigen kring – dus niet voor een luisterend publiek – met de muziek in werkelijke aanraking te komen, haar te leren kennen en dat betekent: van haar te gaan houden.

Er wordt zo vaak smalend over de volksmuziek gesproken, zo alsof deze mijlen ver beneden de kunstmuziek staat. Laten wij toch niet vergeten, dat de volksmuziek te allen tijde de gezonde bodem is geweest, waarin de kunstmuziek wortelde.

Bovendien, wie zal een scherpe scheiding maken. En juist vanuit de volksmuziek hebben wij zeer reële mogelijkheid om een brug vte slaan naar de kunstmuziek, hetzij door het zingen en spelen van bewerkingen van volksliederen – ik denk hier aan mensen als Josquin des Prez, Clemens non papa, Sweelinck, Heinrich Isaac, Praetorius, Senfl, Lechner, Hassler, Melchior Franck, Gumpelzhaimer, Vulpius, Bach – hetzij door canons, hetzij door zelfstandige eenvoudige instrumentale en vocale werkjes.

Hoe dit verwezenlijkt kan worden hangt natuurlijk helemaal van de kring zelf af.

Ik wil echter in geen enkel opzicht de illusie wekken, alsof dit zomaar, zonder slag of stoot, door ieder verwerkelijkt zou kunnen worden. Integendeel, dit vraagt inspanning en we zullen vaak met veel geduld en liefde van de grond af moeten beginnen. Maar hebben wij ooit iets waardevols zo maar in de schoot geworpen gekregen? En is het niet de moeite waard en een verrijking van ons persoonlijk leven èn van ons volksleven in al zijn geledingen hier ernst mee te maken?

Zoals u dus nu begrijpen zult is dat Nederlandse lied dat wij u willen laten horen voor ons een wijd begrip: kleuter-, kinder-, volkslied (ook deze drie zijn niet streng te scheiden) , canons, meerstemmige bewerkingen van liederen en een enkel ander meerstemmig stuk er tussendoor. Dat wij hier alleen zingen wil niet zeggen, dat het de bedoeling is het zingen en spelen sterk te scheiden . Integendeel, hoe meer we het zingen en spelen samen kunnen laten gaan, hoe beter het is. Het is een zeer rijk gebied, dat voor ons open staat en van dit rijke gebied willen wij u in deze uitzendingen iets laten horen, met de duidelijke bedoeling te komen tot zelf musiceren in eigen kring.”



Per 16 juni 1951 werd het programmakader echter alweer gewijzigd. De uitzendingen werden weer tweewekelijks, en met een duur van twintig minuten, nog altijd op zaterdag. Renske begint opnieuw te nommeren (cahier III, p42); en weer start ze met een “beginselverklaring”, maar nu beknopter:


Goede middag, luisteraars. Nu wij vandaag weer voor ’t eerst in het [jeugd-? onleesbaar] programma Het Nederlandse Lied zingen, behoef ik u nauwelijks veel te zeggen. Over ’t algemeen zal de bedoeling van deze uitzendingen u wel bekend zijn. Onder het motto “leve de muziek” zingen we een reeks liederen, en wel in de eerste plaats ons Nederlands volkslied, zo ruim mogelijk gezien: geestelijk lied, vaderlands, mei- en minnelied, vrolijke, gezellige, kinderlied. We zingen echter zeker niet met de gedachte aan een bepaalde groep; veel meer om ze neer te leggen: dit hebben we, dit is ons materiaal; zoveel mogelijk dus in z’n grote veelzijdigheid. Daarbij zal de ene luisteraar volstaan met de liederen in zich op te nemen zonder meer, een ander zal bepaalde liederen doorgeven, terwijl een derde juist weer andere liederen denkt te gebruiken. Het gaat dus niet om liederen te geven die zo maar iedereen zal willen zingen; de bedoeling is juist ons volkslied in zijn grote verscheidenheid u te laten horen.

Daarnaast zingen we canons, uiteraard geen volksliederen maar werk van [een] bepaalde componist, die daarmee vast liggen, en waarbij de tekst sterk op de achtergrond staat. Èn eenvoudige meerstemmigheid, waartoe we vanzelf komen wanneer we regelmatig met een groep zingen, hoewel we zeker, b.v. vandaag, ook wel eens iets zingen wat een beetje moeilijker is – maar deze liederen kunnen zeker in de huiskamer worden gezongen, als er een aantal zanglustige vrienden bij elkaar zijn. Jeugd- volks- en lekenmuziek zijn gebieden die elkaar telkens weer raken. Zoveel mogelijk vertel ik, waar u de liederen kunt vinden De meeste zingen we uit “Nederlands volkslied” (De Toorts, Heemstede).

We beginnen vandaag met een morgen lied Laus Deo […]”


En dat aan het begin van een VARA-programma! In al die jaren is in dit programma trouwens géén enkel socialistisch strijdlied gezongen. Meer actuele politieke aspecten zijn tijdens de uitzendingen altijd buiten beschouwing gebleven, al heeft Renske op 27 januari 1951 er wel op geattendeerd dat een lied als ‘Naar Oostland willen wij rijdenin de bezettingstijd politiek misbruikt is.



Aan het eind van het seizoen: 31 mei 1952 komt er plotseling een einde aan de hele serie. Na de tekst voor een normaal programma, waarin wel de door haar zeer geliefde Clemens-canon ‘Sanctusnog eens uitvoerig wordt toegelicht, noteert Renske een schijnbaar laconieke afsluitende zin (cahier III p115):


Luisteraars u hebt geluisterd, althans voorlopig, naar de laatste uitzending van Het Nederlandse Lied. Wij nemen afscheid van u met de gedachte Viva la Musica”.


Misschien verraadt de semantisch incorrecte plaatsing van de woorden “althans voorlopig” toch enige emotie? Over de achtergronden van de plotselinge programma-beëindiging is mij niets bekend, behalve dan dat de druk van jarenlang verplicht aan een radioprogramma werken zwaar gewogen heeft op het Amersfoortse koor.



Ook over de zakelijke aspecten is weinig overgeleverd. De Amersfoorters ontvingen naar verluidt, als groep behalve reiskostenvergoeding een zeker honorarium, maar Renske heeft daarvan geen financiële administratie bewaard.

Ook de 16 muziekstudenten uit Amsterdam, met wie 58 opnamen zijn gemaakt, werden betaald. Maar uit de onduidelijke notities in Renske’s vierde cahier (“Radiokoor Amsterdam”; kennelijk een informele administratie voor eigen gebruik) kan ik niet opmaken hoe alles precies in elkaar stak. Als ik een notitie van Renske op pag. 20 juist interpreteer kregen zij (of betrof het de hele groep zangers??) f 25.— per keer; zelf ontving Renske f 50.

Niet erg waarschijnlijk immers lijkt dat deze aantekening slechts gold voor de eveneens vermelde twee opnames, van ieder plm. 20 minuten, die Renske met dat Madrigaalkoor heeft gemaakt op 22 november 1952: resp. van 16e-eeuwse geestelijke liederen en 16e-eeuwse minneliederen. Er is nl. wel een brief dd 14 november 1952 bewaard van de heer Antonietti (Muziekafdeling VARA), waarin voor het uitvoeren van die twee programma’s “een totaalbedrag van f. 400.— verminderd met 8% loonbelasting” wordt aangeboden. Als iedere zanger daarvoor dan per opname f. 25.-- zou hebben ontvangen zou het ensemble hoogstens zes of zeven personen sterk zijn geweest. – Of behelst Renske’s notitie slechts een door haar aan de VARA gedaan voorstel, waarop de brief van Antonietti het antwoord is?



4. Renske’s derde cahier over de radio-uitzendingen.



In het derde schrift vinden we nog wel programma’s genoteerd van na 31 mei 1952 door Renske Nieweg gemaakte opnames en concerten met het Amsterdamse Motet en Madrigaalkoor. Ook zijn enkele knipsels met recensies in kranten bewaard. Aan sommige concerten is instrumentaal en vocaal ook meegewerkt door mensen uit Amersfoort, al dan niet leden van de zanggroep. Het gaat dan echter bijna altijd om meerstemmig uitgevoerde stukken, vaak oude maar ook wel recente zettingen van volksliederen. Incidenteel is een lied ook éénstemmig gezongen.

Alleen voor het schoolradioprogramma van 7 januari 1955 (als laatste – en summier – in het schrift genoteerd, pag. 123) lijkt aannemelijk dat het daar vooral ook om eenstemmig gezongen liedjes ging:

Gildebroeders

Eens naderde ons van Frankrijks grens

Wat voor vijand

Wilhelmus 1e en 6e couplet

Wilt heden nu treden

Slaat op de trommele (Geuzenliedboek)




Het was sinds jaar en dag Renske’s gewoonte om achter in haar journaalcahiers repertoirelijsten bij te houden van de liederen en muziekstukken die in het behandelde tijdvak ingestudeerd werden; die lijsten nam ze over en vulde zij aan in eventuele vervolgcahiers. In de aan de radio-uitzendingen gewijde schriften is zij die gewoonte trouw gebleven. Zo vinden we in het derde cahier drie summatieve lijsten: van eenstemmige liederen, van canons en van meerstemmige stukken; alle chronologisch geordend naar uitvoering in de reeks uitzendingen. Lange tijd hield zij turvend bovendien bij hoe vaak een lied opnieuw aan de orde was gekomen.