INHOUDSOPGAVE
homepage
AL ONZE DAGEN : LEVEN MET MUZIEK, DEEL 2
 
II 16_1_01

2_0_1                                                                                                                                  

 

AL ONZE DAGEN :  LEVEN MET MUZIEK

 

DE GESCHIEDENIS VAN DE AMERSFOORTSE ZANGGROEP “HET NEDERLANDSE LIED” (HNL)

 

deel 2:  DE EERSTE JAREN (1940 – 1946)

 

In memoriam Kees Velthuis (1948-2009),

1980-1985 opvolger van Renske Nieweg bij HNL

door

 

Rijk Mollevanger

Cuijk, september 2009.

(2_0_3)
N.B.: Het betreft hier steeds letterlijke
weergaven van Renske’s woorden, behalve in de drie items
die tussen vierkante haken ( [ ] ) staan; daar gaat het
voornamelijk om parafrases van haar tekst.
2_1_0

2_1_0

 

ALGEMENE INLEIDING

 

Renske Nieweg heeft vanaf de eerste bijeenkomst op 26 oktober 1940 in speciaal daarvoor aangelegde cahiers zorgvuldig aantekening gehouden van voorbereiding en uitvoering van de activiteiten voor en door de zanggroep “Het Nederlandse Lied” (hier verder: HNL). Maar ik vind het niet eenvoudig om daarvan een leesbaar doorlopend verhaal te maken. Het gevaar van opsomming dreigt, en ook van herhaling van wat al eerder is gedaan: er zijn immers uitvoerige ‘kronieken’ afgedrukt in het voorwerk van interne HNL-publikaties uit 1965, 1980 en  1990 (resp.: de ‘Feestbundel 1965’, het ‘Gele Boek’ en het ‘Groene Boek’, zie de hierboven afgedrukte teksten). Niet te overtreffen is ook Renske’s eigen stuk in het Gele Boek: het uiterst informatieve “Na 40 jaar” op pagina 5 t.m. 9!

 

Toch wil ik proberen wat meer zicht te scheppen op met name de eerste jaren door die chronologisch en gedetailleerd te reconstrueren. Ze waren een soort incubatieperiode van wat zich vanaf mei 1945 snel wijd zou ontplooien. Helder moet worden wat Renske, en de groep, in die dagen heeft gedreven. Daarvoor baseer ik mij op Renske’s aantekeningen, af en toe gelukkig nog geholpen met mondelinge informatie van enkele oud-leden. Dat Renske niet alleen haar langere voordrachten, maar vaak ook concepten van kernachtige toespraakjes en inleidingen in de cahiers uitschreef, biedt de mogelijkheid om haar ideeën in haar eigen woorden weer te geven. Die teksten weerspiegelen de idealen die zij wilde overbrengen mèt haar grote inzet en de ontwikkeling van wat haar motiveert.

 

Zelf heeft zij mij meer dan eens gezegd, dat ik, als ik mij zou zetten aan historiografie van HNL, vooral moest weten dat de oorlog haar leven en werken beslissend hebben bepaald. Dat kan ook wel blijken uit het verhaal dat hier zal volgen.

Maar minstens evenzeer, lijkt mij, zijn haar werk en ontwikkeling bepaald door wat in haar bestaan aan de oorlog voorafging. Zij is groot gekomen in een vrijzinnig-christelijk, open en warm kunstenaarsgezin. Onwillekeurig vraag je je af of haar bezielend en sterk ethisch gekleurd optreden misschien mede begrepen kan worden uit het eerste beroep van haar vader, die dominee was voor hij zijn verdere leven aan het schilderen ging wijden.

Er was natuurlijk ook de levenslange religieus-socialistische inspiratie die zij heeft opgedaan tijdens de jaren van haar intense inzet voor de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). De geestdrift binnen die sociaal-democratische jeugdorganisatie gedurende de jaren dertig was zeker voedingsbodem voor dat blijmoedig humanisme, dat haar – gesteund door haar sterke en vreesloze karakter – bij iedereen steeds mogelijkheden tot groei naar geluk deed zien. Realisme, kritische zin en vaardigheid tot krachtig ordenend beleid waren haar overigens allerminst vreemd – zij is mij door iemand die haar goed kende wel eens als een “gehaaide frik” gekenschetst; dat dan overigens bepaald niet zonder grote waardering voor haar immense, stimulerende menselijkheid.

Evenzeer van belang moet zijn geweest, dat in haar vrienden- en kennissenkring persoonlijkheden van grote kwaliteit (met hun circuit!) haar denken hebben kunnen beïnvloeden. Om er slechts enkele te noemen: de schrijver en filosoof Just Havelaar (vriend van de familie, tot zijn dood in 1930), Piet Tiggers, Carla Kohnstamm, Jop Pollmann, Hertha Müller Kühlenthal, Wil Waardenburg, dr. J. Segaar, Herman Molendijk, Fritz Jöde, Jos Lennards, Ina Lohr, Feitse Boerwinkel en ongetwijfeld vele anderen. En, last but not least: ook tal van jongere vrienden en leerlingen: dank zij haar zeldzaam vermogen tot persoonlijke aandacht, luisteren, en bereidheid om te leren van haar hele omgeving!

 

Zingen, musiceren – dat was voor haar nooit een vrijblijvende activiteit. Al in de jaren ’30 had haar werken met jongeren een politieke lading: geestdriftig en vakkundig helpen bij de opbouw van een geheel nieuwe, humane, socialistische cultuur. Deze motivatie heeft zich in de oorlogsjaren verdiept en verbreed tot een politiek statement; zolang wij bezet waren natuurlijk in het verborgene, maar vanaf 1945 in het openbaar. Op haar artistiek en pedagogisch terrein wilde zij werken aan een vernieuwd Nederland, waar gemeenschapsbesef de remmende oude hokjesgeest zou overwinnen en toch aloude geestelijke waarden leidend richtsnoer zouden zijn. Deze bezieling heeft in die periode ook steeds duidelijker een persoonlijke religieuze lading gekregen, die haar overigens allerminst verhinderde om met andersdenkenden samen te werken. Integendeel – zij vertegenwoordigt levendig het ook elders in Nederland groeiende streven naar “doorbraak”. Wel kreeg haar enthousiasme voor de betekenis van het volkslied in dat grote proces langzamerhand een ander accent: zonder daarvoor de waardering te verliezen en het besef van de waarde ervan ook als muzikaal uitgangspunt, verschoof de aandacht naar meerstemmigheid. Maar dan zijn we 1946 al voorbij…

 

Wat er in 1940 speelde bij Renske 2_1_1

2_1_1

 

WAT ER IN 1940 SPEELDE BIJ RENSKE

 

 In het algemeen kan alvast gesteld worden, dat bij de start van HNL in het najaar van 1940 bij Renske verschillende motieven een rol zullen hebben gespeeld.

 

 

  1. Zij wilde met mensen muziek maken, zingen. Met haar talenten, opleiding zowel als haar persoonlijke en sociaal-culturele achtergrond voelde zij dat als een eigen levensideaal, maar evenzeer als haar maatschappelijke opdracht.

 

  1. Zij wilde iets voortzetten van wat al jaren tot ontwikkeling was gebracht in vormen en op wijzen die op dat moment door de oorlogsomstandigheden niet meer mogelijk waren: een wezenlijke vernieuwing en intensivering van cultureel leven, te beginnen bij jongeren, maar in principe uit te breiden tot de gehele bevolking, niet alleen de maatschappelijke elite.

Dat ideaal was met het door de bezetters uitgevaardigde verbod op politiek gekleurd verenigingsleven en met name op de AJC en andere jeugdbewegingen niet meer te realiseren op tot dan toe vanzelfsprekende manier – en dreigde bovendien door “foute” vormen: namelijk geannexeerd  door de “volksch” gerichte nationaal-socialistische  beweging, te worden gecorrumpeerd.

 

  1. Zij was ervoor gevraagd door de bobo’s in Doorn: Van Rappard, Tiggers, Pollmann, Lennards. Die hadden ten dele een eigen agenda, zeker Van Rappard; maar deelden wel allen het verlangen om het goede volkslied te propageren.

“Doorn” was door de deelnemers van diverse levensbeschouwelijke (en waarschijnlijk ook: politieke – maar dan geen nat.-soc.)  gezindten beleefd als een geweldige, hoop biedende inspiratie voor verdere actie.

 

(Merkwaardig blijft overigens het daar ontbreken van die andere grote speler op het muziekpedagogisch terrein van die tijd: Willem Gehrels. Was die misschien een te bedreigende concurrent voor het Ward Instituut?)

 

  1. Zelf was zij gegrepen door Pollmanns ideeen en idealen met betrekking tot volkslied en gemeenschap, die zo goed aansloten bij haar vrijzinnig protestantse achtergrond en de cultuursocialistische inspiratie vanuit de AJC.

 

  1. Zij kon  bouwen op een stevige vorming en op ruim tien jaar stimulerende ervaring in dat soort werk. Opzetten van een groep als HNL was een in deze omstandigheden praktisch logische voortzetting van wat in die jaren met hart, ziel en niet zonder verstand was nagestreefd. Niet voor niets was bij AJC-leiders in die tijd sterk het besef van een Gideonsbende ingeprent, die leiding had te geven bij, en een kerngroep van leiders had te vormen ten behoeve van de verdere culturele ontwikkeling van de bevolking.

 

  1. De beginsituatie leverde niet alleen de aansporing en steun van door haar hoog geschatte leiders als Pollmann en Tiggers; zij bood ook praktische mogelijkheden door de aanwezigheid van een achterban met wie lokaal direct begonnen kon worden: oud-AJC-leden, vrienden, leerlingen, buurtgenoten.

 

  1. Een voor de toch meer internationaal georiënteerde AJC nogal nieuw, maar gezien de tijdsomstandigheden van 1940 begrijpelijkerwijs hevig opgebloeid nationaal (en anti-nationaal-socialistisch) bewustzijn heeft duidelijk en zoals haar notities uitwijzen in steeds sterkere mate meegespeeld.

 

  1. Met deze ontwikkeling schijnt vanaf 1940 een andere gelijke tred te houden: een steeds sterker vrijzinnig christelijk-humanistisch ethisch accent, met name tot uiting komend in Kerst- en Paasvieringen, en in Renske’s bij die gelegenheden gehouden toespraakjes; alsook in studieuze aandacht (bijvoorbeeld voor “Wegen en Grenzen” van Van der Leeuw), en in bepaalde “rituelen” tijdens muziekkampen (bijvoorbeeld op de zondagochtend).

 

  1. Nieuw was in hoge mate: het tot samenwerking komen met mensen die een heel andere politieke en levenbeschouwelijke achtergrond hadden. Aanvankelijk lijkt dat tot een zekere stroefheid in aanpak en sfeer te hebben geleid, die voor het eerst doorbroken schijnt te zijn geweest in een gezamenlijk beleefd weekend in het voorjaar van 1941. Maar op den duur heeft dat contact met andersdenkenden kennelijk stimulerend gewerkt, en is deze “doorbraak”-ervaring voedingsbodem geweest voor diverse nationaal participerende activiteiten na de bevrijding.

 

  1. In de hectische maanden na de bevrijding publiekelijk, maar in verborgenheid feitelijk al tijdens de oorlog, heeft Renske intensief willen meewerken aan een vernieuwende wederopbouw van het verwoeste land en de gehavende cultuur. Maar vermoedelijk heeft zij zich toen niet duidelijk kunnen realiseren, hoezeer dat in een spel van zeer diverse maatschappelijke en politieke krachten, vaak toch gebeurde aan de hand van conservatieve ideeën in een (quasi-) nieuw jasje. Met haar duurzaam positieve instelling en haar idealistisch geloof in de noodzaak van gemeenschapsdenken kon zij in de eerste maanden na de bevrijding zonder bezwaar participeren in initiatieven als die van de Nederlandse Jeugd Gemeenschap en Nederlands Volksherstel. Maar vooral die laatste vertegenwoordigde toch wel een zekere restauratieve tendens in een samenleving die politiek en levensbeschouwelijk snel weer uiteenviel, en die ook cultureel in een stroomversnelling van modernisering zou raken waarin oude cultuuridealen het zwaar te verduren kregen. In het meer behoudende raam passen wel haar overtuigd zijn van de maatschappelijke waarde en mogelijkheden van volkskunst, èn haar jarenlange onwankelbare inzet voor herstel en bevordering daarvan. Natuurlijk hoeft met deze constatering allerminst de intrinsieke waarde van die vorm van cultuur in twijfel te worden getrokken, zomin als Renske’s vast geloof daarin!

 

 

De eerste kroniekschrijver van HNL, Jan Beijlsmit,  muntte in 1980 enkele wezenlijke kriteria voor een geschiedenis van de muziekgroep (Gele Boek pag. 9). Die zou immers “naast data, feiten en namen vóór alles een bespreking van de ontwikkeling van het repertoire moeten omvatten: wat er gezongen werd en hoe dat gebeurde. De enige die dit goed zou kunnen weergeven is Renske zelf, maar ze zal er waarschijnlijk niet aan toekomen.”

 

Deze laatste verwachting is juist gebleken. Maar gelukkig heeft Renske wel een overvloed aan materiaal nagelaten. Vooral moeten wij daarbij denken aan haar nauwgezette optekeningen in de zeven HNL-cahiers en aan de acht aan de Liedkampen gewijde schriften; bovendien zijn er nog eens vier die de van 1946 tot 1955 door HNL verzorgde radio-uitzendingen documenteren. Met nog veel ander materiaal, zoals aparte cahiers met aantekeningen uit verschillende jaren, gewijd aan diverse onderwerpen, en de vaak geannoteerde door haar gebruikte liedbundels en bladmuziek, vormen die notities een rijke bron voor nadere bestudering,

 

Wat hier volgt is een eerste poging in die richting. Het hier volgende relaas bedoelt aan te sluiten op het eerder op de website www.niekvanbaalen.net/Renske_Nieweg/WORTELS.htm gepubliceerde langere verhaal  over de voorgeschiedenis van de zanggroep, alsook op de in 2005 door HNL bij het 13e lustrum uitgegeven samenvattende brochure. De bedoeling is een beeld te geven van de verdere ontwikkeling van HNL in zijn tijd, dus vanaf oktober 1940 die van oorlog, naweeën van de crisis, bezetting – en bevrijding. Met daarna nog een korte blik op de jaren die volgen.

 



1940: de eerste maanden; 26 oktober: zo begon het 2_2_0

 

2_2_0

 

1940:  DE EERSTE MAANDEN –  26 OKTOBER: ZO BEGON HET.

 

 

Nog vóór de eerste bijeenkomst in het Jeugdgebouw aan de Amersfoortse Bloemweg, op zaterdagmiddag 26 oktober 1940, kon Renske haar eerste HNL-cahier inwijden met het noteren van een twintigtal namen, plus adres. Veertien vrouwen (maar daarvan werden er twee doorgestreept), zeven mannen (van wie één doorgestreept). Bij sommigen schreef zij later met potlood in de kantlijn het door betrokkene bespeelde instrument (vijf violen, één fluit, één blokfluit, één gitaar). Deze personen hadden zich schriftelijk gemeld, na de in de lokale pers verschenen oproep; dat kan blijken uit de in het Huldeboek 1960 bewaarde aanmeldingen van de gebroeders Beijlsmit, Kees en Jan. Na de eerste bijeenkomst kon zij op dezelfde eerste pagina nog twee vrouwen inschrijven, en na de eerste repetitie, een week later, nog een man en een vrouw. Er verschijnt nog een doorgestreepte dame (zonder adres), die na de vijfde repetitie op 30 november vervangen wordt door Klaas Uniken.

 

Maar dan is de bladzijde ook vol. Pas als op 7 december Rinnie Haars met haar zuster Jo meekomt, doet zich de noodzaak voor om een aparte ledenadministratie te beginnen; dat gebeurt, met nummering, op de laatste bladzij van het schrift; van daaruit zal Renske terug werken; tot nr 109 - maar dan zijn we in maart 1943. Op dezelfde manier achteruitwerkend heeft Renske dan, zoals ook in de zes nog volgende HNL-cahiers, tevens lijsten aangelegd van de tot dien gezongen eenstemmige liederen (46), canons (49) en meerstemmige stukken (15).

 

Deze informele, geïmproviseerde vorm van eigen administratie zal Renske volhouden tot 1980 (in haar zevende HNL-cahier). Alleen de ledenregistratie vindt vanaf het begin van dat zevende cahier, 26 augustus 1968, kennelijk apart plaats, en dan waarschijnlijk niet meer door Renske zelf. De zanggroep zal nog heel lang een heel informele club blijven, begonnen als kleinschalig particulier initiatief. Het zal ook tot juli 1979 duren totdat HNL een officiële vereniging wordt – en dat dan nog alleen maar om redenen van subsidiemogelijkheden (met dan wel de verplichting om minstens één keer per jaar een uitvoering te geven). Maar terug naar 1940; van subsidie kan dan natuurlijk nog in geen jaren sprake zijn.

 

Nog steeds vóór de kennismakingsbijeenkomst van 26 oktober heeft plaats gevonden heeft Renske op pagina 1 en 2 van het cahier het concept van een inleiding uitgeschreven. En dan op de volgende pagina enkele organisatorisch punten, afgewisseld met enkele liedjes. Natuurlijk, want om samen zìngen ging het!

 

Wat kwam aan de orde? De contributie: 10 ct. per week; en daarbij werd rekening gehouden met de werkloosheid. Dat je bij verhindering bericht moest sturen. Dat – voorzover niet uit het hoofd zou worden gezongen – de AJC-bundels Bonte Vlucht zouden worden gebruikt (eigenlijk alleen voor de canons, zal Jan Beijlsmit in 1980 memoreren). En genoteerd staat dat vijf mensen die bundels zouden kopen… of al hadden. Het kruisje voor hun naam laat er slechts naar raden.

 

En gezongen werd er, natuurlijk, toen al. Vijf eenstemmige volksliedjes, waaronder de weverkens, het wuuf dat spon en ’t Ros Beyaard; vijf canons, o.a. Suze Naanje, en – hoe kan het anders – Viva, viva la Musica. Het begin van een lange traditie. En dan was dit nog niet eens een echte, door Renske in haar schrift genummerde repetitie. Na afloop van deze eerste bijeenkomst kon zij met potlood wel meteen twee nieuw namen inschrijven, met adres.

 

 

Wie waren de eerste liedzangers en wat zongen zij? 2_2_1

 

2_2_1

 

WIE WAREN DIE EERSTE LIEDZANGERS?

 

Jeanne Schreuder, Bep Schreuder, Jo Haars (viool), Greet Kuiper (fluit), Henk Noordewier (doorgestreept), An Grandia, Greet Schonewille (gitaar; de meeste HNL-leden nog bekend als Greet Dorleijn), Bep Korten (blofluit), Lies Kuiper (vervangt de doorgestreepte Annie Coster), Tjeerd Kerkhoven (viool), Co Beukman (viool), Remco Roosjen, IJsbrand Roosjen (viool), Kees Beylsmit, Jan Beylsmit, Gre Huysinga, Emy Zonnevijl (doorgestreept), Corrie Elink Schuurman, Nelly Kiljan, Mien Ram (viool). - En later op die pagina toegevoegden: Bep van den Akker, Jopie Jansen, Co Schonewille, Wouter Bakkenes, Mevr. Pieterse (doorgestreept), Klaas Uniken.

 

N.B.: Mien Ram, ongeveer leeftijdgenote van Renske Nieweg, was onder hen waarschijnlijk de oudste. Zij is ook lang niet op alle repetities aanwezig geweest, maar Renske kon met haar soms wel de leiding delen, bv. op 23 mei 1941.  Mien Ram was namelijk muziekdocente – waarschijnlijk met Gehrels-achtergrond –   die in die jaren een particuliere muziekschool had op de Vondellaan. Toen in latere jaren de Amersfoortse muziekschool werd opgericht, onder directie van Barend Schuurman, ging haar instituut daarin op en is zij daar onderdirectrice geworden (mededeling dd 11 oktober 2009 van Miep Zijlstra, die zelf ooit deel uitmaakte van de directie van de Amersfoortse muziekschool).

 

 

EN WAT ZONGEN ZIJ?

 

Eenstemmig: Wij weven en wij reven, Vier weverkens, Daar was een wuuf, ’t Ros Beyaerd, Waer staat jouw vaders huis en hof,

Canons: Ik vraag je de C-toonladder (8-stemmig, Beethoven), Viva la Musica,(3-stemmig, Praetorius), Daar zitten drie narren (5-stemmig, H.Suter), Wie gaat er mee (3-stemmig, anoniem), Suze Naanje (2-stemmig, Gronings, anoniem).

 

 

Zo ging het verder (2_2_2)

(2_2_2)

 

ZO GING HET VERDER

 

Uit Renske’s summiere aantekeningen met betrekking tot de nu volgende (voortaan doorgaand genummerde) repetities kunnen we voorlopig weinig opmaken over hóe het nu ging. Bij  haar voorbereiding van de repetities noteert zij de te zingen liedjes; na afloop kruist zij af wat inderdaad gezongen werd.

 

Voor de eerstvolgende bijeenkomst, op zaterdag 2 november, staan er vier vermeld die op de eerste bijeenkomst al zijn gezongen, en er komt één nieuw lied bij (De fiere Pinksterblom) en één driestemmige canon (Waarom moet de haan, van Tiggers).

 

Een week later zijn er vijf liedjes geprogrammeerd, waarbij één nieuwe driestemmige canon (Wees toch stil). Ook op de derde repetitie komt een nieuw lied aan de orde: Wie wil er mee naar Wieringen varen. - Bij Suze Nanje schrijft Renske in potlood een zangsuggestie: “binnensmonds zingen, bijna neuriën”.

 

 Verdere potloodnotities suggereren dat ook instrumenten in overweging zijn genomen, gepland, misschien wel gebruikt; Renske noteert omcirkeld het lied ”Die eerste vreugd” en daaronder: “instrumenten”. Dat eenstemmige lied komt pas vanaf 18 januari 1941 afgekruist voor in gezongen programma’s. Maar de driestemmige zetting ervan door Carla Kohnstamm heeft in de lijst ‘Meerstemmige stukken’ een vroeg nummer, namelijk: 3. Wijst dit erop dat bij Renske al in november 1940 het idee is opgekomen om zich met enkele instrument bespelende HNL-leden aan die zetting te gaan wagen?  En noteert zij daarover dan verder niets in programma-concepten die voor de hele, zingende, groep bestemd zijn?

 

Eind november blijkt Renske zich al op een kerstprogramma te bezinnen: zij noteert een achttal liederen voor die tijd, en experimenteert met hun volgorde door ze nadien nummers toe te kennen. De decemberrepetities worden in toenemende mate gewijd aan kerstliederen (maar niet alle geplande worden afgekruist). Van een kerstviering is evenwel geen sprake al wordt op 4 januari nog een driekoningenlied geïntroduceerd (Wij komen van Oosten).

 

Iedere week wordt er wel een nieuw lied afgekruist; maar vanaf begin december werkt Renske niet meer schools het eenmaal door haar opgestelde programma af.  Kennelijk wil zij kunnen inspelen op de groep zoals die op dat moment bijeen is, en daarom zorgt zij voor keuzemogelijkheden in haar conceptprogramma. Daarin blijven soms dan ook liedjes onafgekruist. Maar altijd worden nummers van vorige repetities opgenomen èn gezongen: veelvuldige herhaling moet de liederen tot echt bezit van de zangers maken.  Een enkele keer staat in het cahier een zangaanwijzing bijgeschreven: “lippen, overdrijven” (bij de canon ‘Ontwaak’ ), en: “meer innerlijke kracht en spanning dan uiterlijke geforceerdheid – overdrijven met de mond” (bij ‘Viva la Musica’).

 

In die laatste twee maanden van 1940 zijn in de acht repetities 10 liederen en 9 canons één of meer keren gezongen; en één stuk is al spoedig meerstemmig gedaan: ‘Waar staat jou vaders huis en hof ’, in de zetting van Renske’s vriendin Carla Kohnstamm en haar bekend uit de AJC-tijd. Op 9 november ging dat al twee-, een week later driestemmig. Meerstemmige stukken werden in HNL stem voor stem door de hele groep geoefend, zo meldt in 2009 Jet van der Lof-van Rhijn, die met HNL meezong vanaf begin 1941. Iedereen zong dus alles; daarna volgden combinaties en tenslotte werden alle stemmen samen gedaan.

Het merendeel van de liederen en canons – er werd echter niet van blad, maar “viva voce” gezongen – blijkt te vinden in de AJC-bundels “Bonte Vlucht” (1938) en de door Pollmann voor de katholieke jeugdbeweging verzorgde bundel “Het blonde riet” (1932\1938). De canon ‘Wie gaat er mee’ was vermoedelijk in VCJC-kringen bekend en is later opgenomen in “Kinderzang en Kinderspel”; de canon ‘Waarom moet de haan’ kende Renske van de componist Piet Tiggers; de oudejaarscanon “Oudejaar in de straat’ van Joop Schouten had zij al in haar verzamelhandschrift uit 1938 opgeschreven (een uitgave in druk is mij niet bekend).

 

Opvallend is wel, dat Renske (dochter van een vrijzinnige dominee, maar socialiste en oud-AJC-er) niet schuwde deze pas bestaande groep, die levensbeschouwelijk waarschijnlijk nogal heterogeen was, oude katholieke (zij het: pre-reformatorische) kerstliederen te laten zingen, afkomstig uit zangbundels van de roomse jeugdbeweging. Hun muzikale kwaliteit en waarde als echte volksliedjes waren primair.

 

Jet van de Lof-van Rhijn, zelf afkomstig uit de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale (VCJC), herinnert zich in 2009: “Levensbeschouwelijk werd er onderling niet getobd. We kregen er geen tijd voor, kwamen niet op het idee, hadden wel wat beters te doen. Renske koos het programma, en daar hielden we het op! En als er heel soms iemand dreigde te aarzelen, dan wist zij zo met die persoon in een apart gesprekje te ‘onderhandelen’, dat er geen ontkomen aan was –  waarschijnlijk een enkeling uitgezonderd m.b.t. de paasvieringen.”

 

Bij sommige repetities konden al spoedig nieuwe belangstellenden worden geregistreerd, onder wie Klaas Uniken op 30 november.

 

Wat werd er gezongen tot eind 1940? (2_2_3)

 

(2_2_3)

 

WAT ER WERD GEZONGEN TOT EIND 1940:

               

EenstemmigWij reven en wij weven (26 oktober e.v.); Vier weverkens (26 oktober, maar pas 22 februari 1942 nog eens afgekruist); Daar was een wuuf (26 oktober, maar pas 27 juni 1941 nog eens afgekruist); ’t Ros Beyaerd (26 oktober, maar pas 15 februari 1941 nog eens afgekruist); Waer staat jouw vaders huis en hof (eenstemmig 26 oktober, vanaf 9 november en 16 november ook meerstemmig: de zetting a3 van Carla Kohnstamm); Hier is onze fiere Pinksterblom (2 november e.v.); Wie wil er mee naar Wieringen varen, (16 november, pas 9 november afgekruist.); Uit Oostenlanden (30 november e.v.); Het was een maghet uitvercoren (14 december e.v.); Hoe leit dit kindeken hier in de kou (14 december e.v.).

 

Canons: Viva viva la musica (3-stemmig, Praetorius; 26 oktober e.v.); Daar zitten drie narren (5-stemmig, H. Suter; 26 oktober, pas 26 november nog eens afgekruist); Ik vraag je de C-toonladder, (8-stemmig, Beethoven; 26 oktober, en 9 november afgekruist); Wie gaat er mee (3-stemmig, anon.; 26 oktober, maar pas 6 juni1941 nog eens afgekruist); Suze naanje (2-stemmig, anon.; 26 oktober e.v.); Waarom moet de haan (3-stemmig, Tiggers, 2 november e.v.); Wees toch stil (4-stemmig, anoniem, Frans, 9 november e.v.); Ontwaak, ontwaak, de roep van de haan (2-stemmig, J. Wachsmann, 23 november e.v.); Oudejaar in de straat (3-stemmig, Joop Schouten, 14 december e.v.).

 

 

Waar vond Renske de gezongen muziek? (2_2_4)

 

(2_2_4)

 

WAAR VOND RENSKE DE GEZONGEN MUZIEK?

 

Zonder hier volledig te willen zijn moeten hier voor de periode tot plm. 1946 zeker vermeld:

 

- de tot 1940 door Piet Tiggers uitgegeven AJC-bundels “De lijster” (1925), “De merel” (1927), “De wielewaal” (1931); de daar verzamelde liederen in 1938 grotendeels herdrukt in de twee delen “Bonte Vlucht”;

 

- “Lied en luit. Nederlandse volksliederen” verzameld door Willemien Brom-Struick (1929);

 

- de door Jop Pollmann voor rooms-katholieke jeugd- en arbeidersorganisaties verzorgde volksliedverzamelingen in o.m. “Galmgaten” (1933), “Het blonde riet” (1934), “Het lachende water” (1935), ”Ons lied” (1936), “De blijde bongerd” (1938);

 

- haar de gedurende de jaren ’30 vooral tijdens de AJC-muziekleiderscursussen in eigen muziekschriften aangelegde verzameling;

 

- de eerste druk van Walter Lipphardt’s “Gesellige Zeit”, in haar bezit sinds 1935. In die jaren heeft zij zeker ook nogal wat (vaak Duitse) bladmuziek bewaard met oude en nieuwe meerstemmige zettingen (de laatste o.m. van Carla Kohnstamm);

 

- de door Fritz Jöde uitgegeven verzameling “Der Kanon” (1925), waarvan zij de editie uit 1929 bezat;

 

- de door K.Ph. Bernet Kempers omstreeks 1940 verzorgde, bij G.M.C. Rijs te Delft uitgegeven drie keuzebundels uit de “Souterliedekens” driestemmig gezet door Clemens non papa;

 

- van Bernet Kempers ook de editie uit 1941 met aantekeningen van C.M. Lelij “De liederen uit Valerius’ Nederlandtsche Gedenck-Clanck”.

 

Vanaf eind 1941 putte Renske vanzelfsprekend uit de toen net verschenen eerste druk van Pollmann en Tiggers’ “Nederland’s volkslied”, een bundel die ook door leden is aangeschaft. Haar intensief gebruikte eigen exemplaar bevat veel annotaties zowel m.b.t. melodieën als (de oorsprong en betekenis van) teksten.

 

- Ook de door W. Gehrels voor zijn Volksmuziekschool samengestelde bundels “50 Liederen” en “50 Canons” (1944) zullen haar bekend zijn geweest.

 

Renske kende natuurlijk ook de mede door Boy Wolsey samengestelde bundel “Zangzaad” (eerste druk 1928; in bezit van haar zuster Mintje) en diens “Jan Pierewiet” (eerste druk 1933), al zullen die niet favoriet zijn geweest, vanwege Pollmann’s kritiek daarop. Waarschijnlijk ook wel “Jong is ons harte” (edities 1930 of 1934, de zangbundel van de Vrijzinnig Christelijke Jeugdcentrale) – al zal de herziene uitgave van 1946 haar later heel wat meer hebben aangesproken. Die bevatte toen o.m. de volledige tweede druk van “Nederland’s volkslied”!

Zij zal beslist geweten hebben van o.m. de diverse (door Pollmann zo zwaar gekritiseerde) verzamelingen die Frits Coers vanaf eind 19e eeuw had verzorgd, en zeker van het standaardwerk van Floris van DuyseHet oude Nederlandsche Lied” (1903-1908). Of ze dat laatste echter ooit heeft geraadpleegd weet ik niet. Die drie dikke delen stonden wel bij haar (hoog) op de plank, maar vertoonden geen sporen van gebruik en evenmin bevatten ze een aantekening met betrekking tot datum van aanschaf. – Verder waren ook de bundels met bewerkingen door Jaap Kunst van volksliederen uit Terschelling haar niet onbekend.

Van “liederen in de volkstoon” onder veel meer in bekende bundels zoals “Kun je nog zingen, zing dan mee” (1e druk 1908) moest zij vanzelfsprekend niets hebben.

 

(N.B.: Voor nadere bijzonderheden m.b.t. bronnen en verspreiding van de door HNL gezongen liederen raadplege men het doorzoekbare databestand www.niekvanbaalen.net/rens/rens.htm )

 

 



1941: Het eerste seizoen (2_3_0)

 

(2_3_0)

 

1941 :  HET EERSTE SEIZOEN

 

 

Het is in dit bestek natuurlijk niet mogelijk om verder alle repetities op de voet te volgen. HNL heeft de start gemaakt; tijdens wel zo ongeveer iedere repetitie wordt een nieuw lied ingestudeerd, regelmatig worden nieuwe leden genoteerd. Er wordt ijverig en kennelijk met goed resultaat gewerkt, iets wat ook de buitenwacht niet verborgen blijft. Als een al bestaand zangkoor “Jubal” op 15 maart 1941 zingt voor bewoners en verzorgers van “Kinderzorg” (bedoeld zijn: de jeugdzorgtehuizen van de Maatschappij Zandbergen in Amersfoort), verschijnt daarover in het Amersfoorts Dagblad van 22 maart een niet geheel positieve recensie door de musicus en componist Hans M. Scheifes. Maar hij weet een oplossing: laten ze op zaterdagmiddag eens naar “de zanglessen” van Renske Nieweg gaan, die “net enige maanden” bezig is!

 

Ja, lessen zijn het, daarvan getuigen ook de schaarse door Renske wèl in haar schriftje genoteerde zangaanwijzingen: “ademhaling (iets ruiken), zingen op de adem” (bij de Narrencanon; elders bij diezelfde canon ook: “boem pizzicato!”);  “adem in – uit  pf,  in – uit op toon m” (kennelijk een ademoefening aan het begin van de les); “adem!”  en “idem!”; “ademoef.:  hals als glas – uitademen op de toon”. Maar iedereen die bij Renske gezongen heeft zal zich meer en andere, vaak verrassend beeldende suggesties herinneren. Zoals ook haar directie geen “maat slaan” was, maar een beelden van melodie en de beweging daarvan in de ruimte. “Nooit iedere noot afzonderlijk aangeven (met uitzonderingen!), geen hoekig martelato (gehamer), altijd de schoonheid van de cantilene!” leerde zij van de Haarlemse kerkmusicus Louis Kat. En wat heeft zij daarmee kunnen inspireren!

 

Lessen ook in leiding geven, al in de eerste maanden. 11 januari 1941: “Jo Haars leert ons Gildebroeders’; 18 januari: “Tjeerd  à Jan Hinnerik”; 23 mei zelfs: de repetitie (op initiatief van Renske, op die dag zelf verhinderd) geheel onder leiding van Mien Ram en Tjeerd Kerkhoven; 4 juli: “Lies: ’t Haesken”. Het ging immers om vorming van aanstaande zangleiders! Leiding uit handen durven geven vond zij trouwens ook iets principieels bij volkslied zingen, getuige haar brief aan de groep toen zij op 23 mei niet aanwezig kon zijn en zij de avond door Mien en Tjeerd liet verzorgen:

 

“Ik hoef jullie zeker nauwelijks te zeggen, hoe erg het me spijt, dat ik vanavond niet bij jullie kan zijn. Toch heb ik gemeend, dat jullie wèl samen moesten komen. Het volkslied leeft immers vanuit de gemeenschap, en waar die gemeenschap aanwezig is, of groeiende is, zoals bij ons, daar wordt natúúrlijk gezongen. Dit is niet afhankelijk van de aanwezigheid van een leider of leidster – nee, het lied wordt gedragen door ons allemaal samen; samen zijn we verantwoordelijk voor de vrolijke, prettige sfeer, waarin we zo graag werken. En zo zal het ook vànavond zijn: in ’t gevoel sàmen deze avond te dragen en te bouwen aan ons Nederlandsche lied, zal het meteen een goeie avond zijn!”

 

Een ideële bevlogenheid die haar overigens nooit heeft verhinderd om waar zij dat nodig vond de touwtjes stevig in handen te houden – en daar heeft iedereen baat bij gehad.

 

Want gestudeerd werd er! 30 nieuwe liederen en canons, veelal uit het hoofd gezongen, en vier meerstemmige stukken, in de 35 repetities van die eerste zes maanden, d.w.z. tot aan het eerste gezamenlijke weekend (13-14 juli 1941 in “Ons Bliscap” te Amerongen). Speciale vermelding verdient wel de eerste door HNL gezongen Clemens-zetting. In 1980 memoreert Renske nog, hoezeer eind jaren ’30 haar eigen kennismaking met deze polyfonie voor haar een onvergetelijke ervaring is geweest (Gele Boek p5). Uit Clemens’ driestemmige psalmbewerkingen, de “Souterliedekens”: op melodieën van populaire wereldlijke liedjes die omstreeks 1550 populair waren, kwam op 30 mei 1941 psalm 7 “O Heer mijn God almachtig” op het programma, echter op de wereldlijke tekst ‘Ick arm schaep aan gheen groen heide’. In 1945 zal van dit lied trouwens ook de eigenlijke psalmtekst bij HNL gaan functioneren.

 

 



1942: Het eerste seizoen – en een excursie naar later (2_4_0)

 

(2_4_0)

 

1942 :  HET EERSTE SEIZOEN  –  EN EEN EXCURSIE NAAR LATER

 

 

Bij de eerste bijeenkomst in het verse kalenderjaar, op 3 januari 1942, wordt een nieuwe activiteit gemeld: “4.30 uur: volksdans met Dien de Wit”. De nieuwkomer Piet Leenknecht zal daarbij extra welkom zijn geweest in een groep waarin het aantal mannen beperkt was! Een week later kon hij meteen meedoen voor “Kinderzorg”: misschien op Zandwijk, maar waarschijnlijker: op de Ingeborg werd ’s middags tussen 5 en 6, evenals in augustus vóór, maar vooral ook mèt de kinderen gezongen, nu twintig in getal, als we Renske’s handschrift goed interpreteren. Vier van de liedjes kenden ze nog van het jaar daarvoor, maar ‘Hansje’ was nieuw, net als het driekoningenlied ‘Uit Oostenlanden’; ‘Piu’ eveneens – maar dat hebben ze natuurlijk niet meegezongen.

 

 

 



1943: Eerste seizoen (2_5_0)

 

(2_5_0)

 

1943 :  EERSTE SEIZOEN

 

 

De eerste maanden van 1943 werd weer stevig doorgewerkt; het nieuwe jaar werd onder meer ingezet met instuderen van de niet eenvoudige maar in de groep zeer geliefd geworden canon van Kuhlau: ‘De grote sultan heeft gefuifd’. Maar vanaf nu verschenen er ook verscheidene liederen uit Valerius’ Gedenck-Clanck (1626) op het programma, waaruit kan worden afgeleid dat een sterker accent op nationaal karakter groeiend was. Vanzelfsprekend zijn tevens de komende lente en de paastijd in de repetitieprogramma’s terug te vinden. En er werd een driestemmig “madrigaal” ‘Viva la musica’ van een tot nog toe onvindbare componist C. Miller (plm. 1800) geoefend; een bron voor dat stuk heb ik niet kunnen achterhalen. Zondagmiddag 21 februari zong HNL weer voor en met de pupillen van “Kinderzorg”, dat was blijkbaar traditie geworden. Op zaterdag 20 maart werden, zoals bij dit soort gelegenheden gebruikelijk was geworden, Jet en Dono toegezongen om ze met hun verloving te feliciteren. Beiden waren blijkens steekwoorden voor Renske’s toespraakje actief in jongerenwerk, hij bij de padvinderij, zij bij de VCJC (jeugdorganisaties overigens die door de bezetter waren verboden). Een week eerder had de groep voor deze gelegenheid een lied met aangepaste tekst geoefend.

 

Feestje ook op zaterdag 3 april. Renske werd toen met haar 32e verjaardag op de dag ervóór gefeliciteerd. Het cahier bevat bij die datum niet alleen de aanmaning “boek tekenen” (de door de bezetter verplichte registratie?), maar ook een vlug neergekrabbeld concept voor een dankwoord dat illustratief mag heten voor het gemeenschapsgevoel en het taakbesef dat Renske dreef:

 

 “Hartelijkheid en vriendschap; in deze tijd zelden een dergelijke groep te vinden. Ons zingen een uitingsvorm voor datgene wat er in ons leeft.

Ieder lied is een stukje van ons eigen ik maar tegelijkertijd is dat ook de band die ons zingen geeft en die dat prettige gevoel van elkaar tegenkomen geeft. Het is nl. het algemeen-menselijke wat we in het lied vinden en wat ons samenbindt.

Dit lang voortzetten, zodat jullie steeds mee het gevoel krijgt, datgene wat je hier vindt en krijgt verder te moeten dragen.”

 

 

 



1944. Het eerste halfjaar: jeugdconcert (…) (2_6_0)

 

(2_6_0)

 

1944 :  HET EERSTE HALFJAAR: JEUGDCONCERT – MATTHAEUSPASSION – WEEKEND – EERSTE LIEDKAMP

 

 

Tot begin maart 1944 kwamen geen nieuwe liederen aan bod; alle repetitietijd werd besteed aan het oude repertoire, en dat vermoedelijk vanwege het geplande “jeugdconcert” in het Treekerbergje van Zandbergen dat uiteindelijk zou plaats hebben op 25 maart. Vanaf 11 maart werden nog wel drie nieuwe stukken ingestudeerd: De driestemmige canon Surrexit Christus (misschien van Gumpelzhaimer, of wellicht van Sartorius), het vierstemmige Bachkoraal Befiehl Du Deine Wege en het oude paaslied Christus is opgestanden. Ook moesten in die periode een tiental nieuwe leden worden “ingezongen”.

 

Al eind januari puzzelt Renske over de samenstelling, indeling en benodigde tijd in het programma voor dat concert. In een over twee bladzijden verdeeld concept bedenkt zij een indeling: één- en meerstemmige liederen uit de Nederlanden; liederen met instrumenten; canons en andere meerstemmige stukken - en die dan opnieuw gevolgd door liederen met instrumenten. Afgesloten zal worden met O Nederland let op uw saeck. Na de negen volgende repetities turft ze in het concept af welke liederen zijn geoefend. Ook de aan te houden volgorde wordt voortdurend gewijzigd. En zij noteert alvast een idee voor toelichting bij de muziek van grote Nederlandse componisten van vóór 1600, uit een tijd dus “die zo ver achter ons ligt dat velen van jullie daar nog nooit mee in aanraking zijn geweest”. Vóór 11 maart heeft ze het concept van haar inleiding klaar, waarin ze toewerkt naar die bekende centrale doelstellingen: het samen zingen, en: ons eigen Nederlandse volkslied. Ook aan stemvorming en adembeheersing wordt grondig gewerkt. Op deze plaats in het cahier liggen enkele losse blaadjes waarin ze op de ene zijde instrumentalisten groepeert, en op de achterkant de volgende oefeningen vastlegt:

 

1.        Onhoorbaar inademen (ruiken); langzaam op s of f uitademen; hand op buik en borstbeen; buikwand naar beneden; buik aan het slot iets naar buiten.

2.        uitademen, 4 tellen; vier tellen vasthouden, etc.; zelfde met 6 of 8 tellen vasthouden

3.        met armbewegen:

- hand op de rug gestrekt met uitademen iets omhoog

- arm voorwaarts omhoog en naar voren neer

- op zij hoog en neer

- kringvorming; 1e kwart inademen, driekwart uitademen

 4.   inademen – uitademen op m; tanden van elkaar (glas op een stok) kaken los, hoofd los  kaak naar voren, trilling in de lip voelen

 5.   long – bang – wang

                korte slag met veel resonans

6.        fluit – lach  klein en groot mechanisme  mi – mi

7.        mi – ni – mi – ni

óók nog mond naar voren

a – géén glottisslag – adem inhalen of h ervoor

                 8.   Dies ben ik vro; o als klank goed lucht inhalen

                               hoge tonen: hoofd niet omhoog

                               denk dat hij naar beneden gaat

                               hoge tonen – lijn naar beneden, en omgekeerd

                 9.   bem bem mi ni  [?  Niet goed leesbaar RM]

 

 

En dan komt HNL op zaterdag 25 maart twee keer bijeen, apart genummerd in het cahier. Het zal een generale repetitie in de middag zijn geweest – het cahier laat een kort concept van de door te nemen liederen zien, waarvan overigens niets is afgekruist. Het nu opnieuw uitgeschreven avondprogramma, begonnen om kwart over zeven, bevat 26 nummers:

 

Programma jeugdconcert 25 maart 1944 (genoteerd door Renske in 2HNL pag. 46 en 47):

 

x 1 Gildebroeders (refrein meezingen)
x 2 Slaat op de trommele (refrein meezingen)
x 3 O Nederland (refrein meezingen)
x 4 Neemt mij in der handt
   5 Ceres en Bacchus
[vervangen door:]
x 6 De loverkens
x 7 Die eerste vreugd
[vervangen door:]

  Sanctus
  Miserere
x 8 Schoon boven alle schoone
--->
[nr 12 naar hier verplaatst]
|  9 Ik wil mi gaan vertroosten
|x10 Christus is opgestanden
|  11 Surrexit Christus
\x12 Befiehl du deine Wege
[verplaatst: naar achter nr 8 ]

Instrumenten


x 13 Wie dat zichzelfs verheft.
x 14 Heer Jezus heeft een hofken
x 15 Kalemanden rok
x 16 't Ros Beyaard.

Canons


   17 Zomer is't in bos en weiden

x 18 Vriend Pieter [toegevoegd:] Brio
x 19 Grote sultan
x 20 Signor Abate
x 21 Metronoomcanon
x 22 Bona nox
x 23 Alles schweiget
x 24 Piu non si trovano
x 25 Tod ist ein langer Schlaf
x 26 Schütz (Nun will sich scheiden Nacht und Tag)

 

De uitvoerige aantekeningen vanaf half januari over de voorbereiding van dit programma wijzen uit dat Renske uitzonderlijk belang heeft gehecht aan dit optreden.  Maar optreden voor wie, mèt wie?

 

Dat is in het cahier niet expliciet vastgelegd. Echter, haar concept voor een inleiding op deze avond maakt wel heel aannemelijk dat het opnieuw gaat om zingen voor en met scholieren uit het middelbaar onderwijs, zoals zij met HNL ook al op 21 februari 1942 had gedaan. En heel expliciet formuleert zij daarbij de doelstelling – waarin maar al te duidelijk de ideeën van Pollmann vallen te ontdekken: de plezierbeleving aan het zelf zingen van de eigen Nederlandse volksliederen:


“ Wat jullie hier zien is de Amersfoortse cursus van de landelijke Vereniging Het Nederlandsche Lied.
Wij zijn bij elkaar gekomen uit twee overwegingen
Ten eerste: uit de behoefte samen te zingen - Een zingend mens is een gelukkig mens, je voelt je boven je zelf en boven de dagelijkse dingen uit geheven. Je voelt je vrijer en zoals Piet Tiggers het eens zei: een zingend mens is een moedig mens.  
[ DOORGESTREEPT: In het lied komt gezamenlijk tot uiting, wat er in ons allen persoonlijk leeft en juist dat gezamenlijk tot klinkende vorm brengen maakt ons gelukkig. ] Dat hebben we persoonlijk hier in onze zanggroep ondervonden, en dat is één van de voornaamste redenen, dat we hier samen zijn [ DAARNA BIJNA TWEE REGELS DOORGEHAALD: juist in een tijd als deze, waar we een geestelijke versterking zo erg nodig hebben ].
Het is ook niet toevallig dat er op 't ogenblik op zoveel scholen weer gezongen wordt. Voor een deel zijn jullie daar ook zeker zelf bij betrokken, nu er op het Gymnasium, Montessori Lyceum en Baarns Lyceum regelmatig gezongen wordt. - Zo 'n lied wat je gezamenlijk zingt wordt een stuk van jezelf, het krijgt betekenis voor je - het wordt heel wat meer dan 'zomaar een liedje',

En dan kom ik vanzelf bij het tweede punt: wat zingen we dan? Wel, in hoofdzaak is de grondslag ons eigen Nederlandse volkslied - het lied n.l. waarin het karakter en de typische eigenaardigheden van ons volk tot uiting komen. Een 250 à 300 jaar hebben wij geen eigen Nederlandse volksliederen gehad - wij keken alleen voor een groot deel naar anderen en vergaten dat ieder volk zich op zijn eigen speciale manier uitdrukt in zijn volkslied. Iets van dat Nederlandse volkslied willen we vanmiddag samen met jullie zingen, hetzij één- of meerstemmig.
Daarnaast zingen we ook canons van Mozart, Haydn, Beethoven en tenslotte zullen we nog met instrumenten zingen.
Het gaat dus om twee dingen
1) het samen zingen
2) ons eigen Ned. volkslied. "

 

 

Deze woorden doen vermoeden dat het publiek voornamelijk zal hebben bestaan uit leerlingen van het stedelijk gymnasium in Amersfoort en van het Stichts Montessorilyceum (dat huisde in de villa Schuttershoef, later op de Hugo de Grootlaan als Amersfoorts Lyceum, en na 1968 als scholengemeenschap De Amersfoortse Berg); en wellicht zelfs uit leerlingen van Renske’s eigen middelbare school, het Baarnsch Lyceum. Waarschijnlijk waren trouwens ook leerlingen aanwezig van de Amersfoortse Kweekschool; aan deze onderwijzersopleiding was Renske al sinds 1943 verbonden als muziekdocente, gevraagd door de directeur Jo Bolt, nadat die een door haar geleide zangavond had meegemaakt. Uit genoemde scholen zouden in de loop der jaren verscheidene leerlingen (en leerkrachten!) met HNL meezingen.

Oud-leden Wil van de Vijzel en Jet van der Lof-van Rhijn konden zich echter niets herinneren van een avond als deze in die tijd.

 

 



1945: bevrijdingsjaar, eerste seizoen (2_7_0)

 

 

(2_7_0)

 

HET BEVRIJDINGSJAAR 1945: EERSTE SEIZOEN

 

 

Voor de eerste bijeenkomst van het nieuwe jaar: het feest van Driekoningen op 6 januari, nog altijd in De Korhoen, noteerde Renske wel een paar dan te zingen liederen. Maar omdat zij die dag zelf verstek moest laten gaan heeft Wil Waardenburg deze repetitie geleid. Zij nam slechts Begeertens lust over uit het voorlopige concept en liet behalve zes eenstemmige liederen (waaronder het Wilhelmus) vier canons zingen en twee driestemmige stukken. Pas een week later kon de door Renske voor 6 januari geplande Josquin-canon Pleni sunt coeli worden geoefend, voor het eerst. Dit prachtige tweestemmige stuk stond niet in de bundel van Pollmann en Tiggers, Renske zal het gevonden hebben in haar Jöde-uitgave “Der Kanon” (editie 1929). Natuurlijk kwam het ook de volgende keren aan bod, naast een drietal nieuwe canons, wèl uit de bij de leden bekende bundels. En tot op 3 maart HNL begon te werken aan een programma van bijna uitsluitend Lijdens- en Paas-stukken (overigens met slechts één nieuw lied: Ik wil mi gaan vertroosten) werden iedere keer wel twee Valerius-liederen gezongen.

 

Vanaf 10 maart werd gerepeteerd op de zolder van de familie Roosjen in de Celsiusstraat op nummer 73; niet zonder betekenis in die onveilige tijd: een vrijstaand huis, waar minder gevaar voor afluisteren bestond. Voor meezingende mannen was ook de tocht erheen bepaald niet zonder risico’s, vanwege de talrijke razzia’s op nog in Duitsland inzetbare arbeidskrachten. Het was op dit adres dat zij soms als vrouw verkleed arriveerden – Karel van Wijngaarden en ook Klaas Uniken zijn aldus ooit in (onopvallende?) dames omgetoverd. Eveneens zal het deze locatie zijn geweest, waar de 34e verjaardag van Renske op paasmaandag 2 april een dag later werd gevierd met een extra-repetitie. Op het programma o.m. vijf Valerius-liederen.

 

Renske’s onopgesmukte, zakelijke notities in deze maanden laten niet vermoeden dat ze werden neergeschreven in wat voor velen de moeilijkste periode van de oorlog is geweest: hongersnood, angst, gebrek aan alles, een tamelijk strenge winter maar geen kolen voor de kachel, geen gas en electriciteit; de slopende spanning om wat er stond te gebeuren in de desperate doodsstrijd van Nazi-Duitsland; de voortdurende dreiging en onzekerheid op alle gebied door weggevallen vervoers- en communicatiemiddelen; de verwarrende berichtgeving door de tot een miniem velletje gereduceerde, onbetrouwbare krant, die nog maar twee maal in de week verscheen; de talrijke executies op plakkaten bekendgemaakt; het vele luchtalarm; de angstaanjagende niet aflatende Duitse propaganda; het gevaar dat uitging van de onberekenbare fanatieke diehards die daar tegen beter weten in bleven geloven.

 

Toch lijken die met regelmatig potloodschrift gevulde pagina’s meer dan ooit een incubatiefase te weerspiegelen. Dat suggereren de programma’s, waarin talrijke liederen met een meer nationaal karakter werden opgenomen, met name uit Valerius’ “Gedenck-Clanck”. Vaak kregen die programma’s daarmee een religieus accent, nog versterkt doordat van souterliedekens nu ook de oorspronkelijke psalmteksten werden ingestudeerd.  Al begin april ontwerpt Renske een soort concertprogramma, driedelig. Dat begint met het Wilhelmus: de coupletten 1, 6 en 15, gevolgd door vier Valerius-liederen. Het middendeel bestaat uit vijf volksliedjes, waarvan HNL meerstemmige zettingen kan zingen. Besloten wordt met een vijftal canons en souterliedekens. Allemaal stukken die, met andere, nog van pas zullen komen! Op maandagmiddag 23 april, 3 uur, last zij een extra repetitie in, besteed aan alle liederen uit het programma van de zaterdag ervóór, en die stonden voornamelijk in bovengenoemd concept. Repeteren overdag is kennelijk geen probleem in een tijd waarin veel werkplekken en scholen niet, of maar een zeer beperkt aantal uren per week functioneren. Eind april lijkt zij de beschikbare mannenstemmen te inventariseren: een lijstje van achttien personen.

 

En dan is het zaterdag 5 mei, bevrijdingsdag. En een reguliere repetitiedag. Programma: Singt dem Herrn, Arm schaap, Abendlied Schütz, Bewaart Heer Holland, Miserere: alles afgekruist. Wel in het rijtje, maar niet afgekruist: Stort tranen uyt, Rijc God wien zal ic clagen, Sanctus.

Maar daarnaast staat op die bladzijde een volledig, driedelig programma opgeschreven, met stukken die we in de volgende weken nog veel zullen tegenkomen. Want Renske moet lang van te voren geweten hebben waar ze aan werkte. Een doordacht radioprogramma lag klaar, zo blijkt uit het cahier; en al is dat niet uitgevoerd: de ingestudeerde werken zouden al spoedig en ruimschoots hun bestemming vinden.

 

 

 

 



Hoe het verder ging…. (2_8_0)

 

 

(2_8_0)

 

HOE HET VERDER GING….

 

 

….. is een volgend (lang) verhaal. Het “verborgen leven” van HNL was voorbij. De zanggroep werd voortaan bij allerlei publieke gelegenheden betrokken, en dat niet alleen lokaal – Jan Beijlsmits kroniek in het Gele Boek geeft onder meer daarvan een indrukwekkend overzicht tot 1980. Hoewel de jaren na 1945 buiten het bestek van dit deel van deze HNL-studie vallen, lijkt het niet onzinnig hier alvast een korte blik te werpen op de wat nabijere toekomst van dit inmiddels zo verre verleden…