INHOUDSOPGAVE
homepage
De zanggroep HET NEDERLANDSE LIED in Amersfoort
 
Titelpagina Untitled

1_0.doc

 

De zanggroep HET NEDERLANDSE LIED in Amersfoort

(1940-heden)

 

webversie proeftekst + Indexen dd 28-1-05, met correcties van Jan & Noor Meilof;

bijlagen: Repertorium-lijsten tot omstreeks 1980 en toespraak Carla Kohnstamm 1976

 

door Rijk Mollevanger

 

[ 8-7-04: “Ter (voorlopige) Inleiding” toegevoegd; PROEF \ WERKDOCUMENT dd  29.4.04 / 27.7.04 (semi-definitieve versie).

Op diverse latere data :  volgorde onderdelen gewijzigd; aanvullingen & correcties; voorlopige orde-nummering aangebracht. 18.2.06 Pinksterlied 1980 toegevoegd (uit Huldeboek 1980). 19.2.06:  Oprichting ’40 toegevoegd uit brochure dec. 2005 tgv. 13e lustrum]. 22.7.07: enkele correcties en toevoegingen.

 

In memoriam Jan Meilof.

 

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

 

 

 

PINKSTERLIED 1980 voor Renske

 

 

 

de babelse chaos tot het bruiloftslied geordend

wacht zij met de lamp in de hand alle jaren, hoort

een vrolic salich nieuwe lied

 

luistert zij de mensen tot hun ware stem

 

de grote zon is met een uur vertraagd maar ziet

hij komt om allen sterk te maken, trooster

 

vol rode mond belijden wij de oude dingen

want alles is vernieuwd wanneer zij ons laat zingen

surrexit, al den wereld openbare

 

het durend toongewelf maakt onze hoofden kleiner

tongen vuur en waaiend buigzaam wat verhard is

zo veel hart verheft zich op haar vogel hand

 

de vroedvrouw van de klank wijst ons het levende

 

zo maak je lachend zichtbaar ook de pauw kan zingen

een kudde biggetjes rent dwars door onze noten

hoort en ziet, en komt hem tegemoet want

 

ich verkündige euch grosze

grosze Freude

 

 

(uit het Huldeboek voor Renske 1980)

 

 

 

Ter inleiding TER (VOORLOPIGE) INLEIDING

1.3.doc

 

TER  (VOORLOPIGE)  INLEIDING

bij een werk-in-uitvoering:

 

============================

 

 

In september 2001 heeft een commissie uit de Amersfoortse zanggroep "Het Nederlandse Lied" (hier verder: HNL) mij gevraagd een geschiedenis te schrijven van dat in 1940 door de zangpedagoge Renske Nieweg (1911-2002) opgerichte koor. Ik heb gezegd daaraan graag te willen werken, maar ik heb mij toen niet gebonden aan een deadline voor publikatie; ik had immers geen idee van de tijd die vervulling van deze opdracht zou kunnen gaan kosten. (Dat idee heb ik nog niet, al ben ik er nu een paar jaar aan bezig; wat hier volgt is nog maar een tussenstand.)

 

De doelgroep zou voornamelijk bestaan uit leden en oudleden; verder zou mogelijk elders in de muziekwereld enige historisch gerichte belangstelling bestaan. Nu zal de hier openbaar gemaakte tekst daar weinig geschikt voor zijn: te gedetailleerd, te veel de taal van een academische scriptie. Maar zij zou moeten kunnen functioneren als basis voor een volgend, vlotter, meer op de doorsnee geïnteresseerde lezer gericht exposé.

 

Er bestaan voor mij verschillende redenen om mij met inzet aan de op mij genomen taak te wijden. Hoewel zelf van HNL nooit regulier lid geweest, heb ik - zoals een groot aantal andere niet-Amersfoorters - vanaf 1953 regelmatig mogen deelnemen aan activiteiten ervan: Kerst- en Paasvieringen; zomer-, later Pinksterkampen op een boerderij in Den Treek; buitendagen en andere bijzondere bijeenkomsten. Ook heb ik eind jaren '50 tijdens mijn militaire-diensttijd enkele maanden meegezongen op de wekelijkse repetities, en meegedaan bij het toen (zoals ook nog veel later) daaraan voorafgaande uurtje volksdansen.

 

Mijn langdurig contact met Renske Nieweg  en met talrijke groepsleden is voor mij van grote waarde geweest: heeft zeker zoals bij velen bijgedragen tot mijn persoonlijke en muzikale vorming. Zoals zoveel anderen ben ik daarvoor dankbaar, en dat stimuleert mij uitermate bij het hier aangevangen historisch onderzoek.

 

Maar er is meer. Volgens mij is er sprake van een cultuurhistorisch interessant fenomeen. Persoonlijke ervaring met ook andere koren heeft mij het bijzondere karakter van musiceren in HNL duidelijk gemaakt. Daar werd een vóór alles humane muziekbeoefening nagestreefd: toegewijd en verdiepend, maar niet gericht op virtuositeit. Primair ging het er om in gemeenschap, dus: wezenlijk naar elkaar luisterend, musiceren te leren ervaren als een belangrijke, je leven verrijkende (en plezierige!) mogelijkheid, die mits met aandachtige inzet nagestreefd voor iedereen kan zijn weggelegd. Waarbij de muziek niet als de enige menselijke waarde geldt - die van het intermenselijk contact is er onlosmakelijk mee verbonden. Gericht op een dienstbaar musiceren door amateurs, dat noch qua uitvoeringspraktijk, noch qua repertoirekeuze de professionele muziekbeoefening tracht te imiteren, maar zich wel altijd fundamentele waardenbeleving ten doel stelt, wars van competitie en (quasi-) virtuozendom.

 

In mijn onderzoek wil ik dan ook proberen op het spoor te komen van de wortels van deze opvatting omtrent hoe leken kunnen musiceren; hoe zich die in de loop van de tijd heeft ontwikkeld; en welke factoren hierbij een rol hebben gespeeld.

 

Een interessant aspect hierbij is m.i. ook dat HNL in 1940 eigenlijk een "doorbraak"-groep avant-la-lettre is geweest in een toen nog vast verzuilde samenleving: ondanks – of dank zij? - de toenemende druk van de Duitse bezetting wijdden socialistische, katholieke, protestants-christelijke en niet-godsdienstige jongeren zich gezamenlijk aan volkslied, canons, eenvoudige polyfonie - aan levende cultuuroverdracht.

Na de bevrijding volgde een langdurige periode van lokale, ja zelfs - vooral ook door radio-uitzendingen waaraan HNL jarenlang heeft meegewerkt - landelijke uitstraling. Er waren dan ook allerlei verbindingen naar “buiten”. Zo o.m. verzorgde het koor onder leiding van zijn dirigente vanaf 1945 in de stad Amersfoort decennialang de fameuze jaarlijkse kerstliedavonden, waar Renske Nieweg steeds weer honderden bezoekers, jong en oud, van zeer diverse denominatie, tot enthousiast zingen en spelen wist te bewegen. En zo waren er vaak intensieve persoonlijke en personele contacten met de sociaal-pedagogische opleiding Middeloo te Amersfoort, waar vanaf de aanvang in 1946 muziek een belangrijk onderdeel van het lesprogramma vormde. Renske Nieweg heeft verder o.m. als docente aan de Amersfoortse Rijkskweekschool (later: Pedagogische Academie), als consulente voor schoolmuziek en door medewerking aan didaktische publikaties invloed uitgeoefend op het muziekonderwijs op de basisschool.

 

Het zingen en spelen in HNL kunnen bovendien geplaatst worden binnen die grote, internationale beweging van de met name ook bij leken sterk groeiende belangstelling voor “oude”, d.w.z. vóórklassieke muziek. Hier eveneens naar het stempel van de dirigente, die in 1951 zelf mee aan de wieg heeft gestaan van de Vereniging voor Huismuziek. Zeker waren het haar persoonlijkheid, haar inzichten en didaktische gaven, die sfeer, karakter en praktijk bij HNL beslissend hebben bepaald.

 

Een geschiedenis van HNL kan niet volstaan met slechts een kroniek van de voornaamste bijeenkomsten en gebeurtenissen. Die bestaat trouwens al voor een belangrijk stuk: als onderdeel van het "voorwerk" der in 1965, 1980 en 1985 voor intern gebruik gebundelde repertoireverzamelingen.

Echte geschiedschrijving wil hier immers tevens zicht bieden op de ontwikkeling van het repertoire (en daarbij zeker ook op de aandacht die lange tijd zo sterk op het volkslied gericht is geweest); op de samenstelling en ontwikkeling van het ledenbestand; op de externe contacten en op organisatorische en praktische aspecten (waaronder bestuur, beleid, financiën).

Maar vooral dient waar mogelijk licht geworpen op achterliggende ideeën en idealen: muzikale en esthetische zowel als levensbeschouwelijke; op de politieke en pedagogische inspiratie c.q. intenties die er leefden. En in samenhang daarmee: op de belangrijkste beïnvloedende figuren (om maar enkelen te noemen: Piet Tiggers, Jop Pollmann, Willem Gehrels, Fritz Jöde, Ina Lohr). Verder op de normatief-cultuurpedagogische insteek en de bronnen daarvan; op de invloed van de tijdsomstandigheden (het vooroorlogse jeugdidealisme; de oorlog; de naoorlogse volksopvoedingsidealen met hun moderniserende maar in wezen vaak zeer restauratieve tendenzen); op respons en op kritiek; op "Nachwuchs". En wellicht zullen zich voor dit ambitieuze programma nog andere aspecten aandienen naarmate ik het beschikbare materiaal verder heb doorgewerkt. Daarbij zal inbreng van nog te interviewen betrokkenen beslist extra verhelderend werken.

 

Het nu volgende is evenwel voorlopig nog voornamelijk gebaseerd op het overvloedige materiaal uit Renske Niewegs nalatenschap, mij door haar familie voor mijn doel welwillend in langdurige bruikleen ter beschikking gesteld, alsmede op geraadpleegde relevante literatuur.

 

Cuijk, 14.7 – 12.12  2004, Rijk Mollevanger

 

 

NOOT 1:

-              “Feestelijke uitgave bij de viering van het 25-jarig bestaan van het Nederlandse Lied”, Paasheuvel, oktober 1965. – Voor intern gebruik (vermoedelijk onder redactie van Renske Nieweg en Jan Beylsmit) samengestelde repertoire-verzameling, met in het ‘voorwerk’ bijdragen met herinneringen en beschouwingen van Renske Nieweg, Gillis Dorleijn, IJsbrand Roosjen, Bets Munnik, Wil Waardenburg, Jet van der Lof-van Rhijn, Jan Neuteboom, Greet Jacobs, Corrie de Groot, Jan Meilof, Jan Beylsmit.

                In die bundel ook het feestlied voor het 25-jarig bestaan van de zanggroep, een driestemmige zetting door  Gillis Dorleijn op tekst van Jan Beylsmit:”Zingen is delen van droom en daad”; de slotregel van het refrein: ‘Al onze dagen leven met muziek’ heb ik gebruikt als titel voor deze studie (N.B.: voor de halverwege toegevoegde dubbele punt ben ik verantwoordelijk).

-              “Het Nederlandse Lied 1940-1980”, repertoireverzameling samengesteld door een werkgroep van de Vereniging Het Nederlandse Lied onder eindredactie van Jan Meilof. - Amersfoort 1980. – Het z.g. Gele Boek; uitgave, voor intern gebruik, bij het 40-jarig bestaan. In het ‘voorwerk’ uitvoerige bijdragen: herinneringen en beschouwingen, van Renske Nieweg, Jan Beylsmit, Jan Meilof, en Kees Velthuis.

-              “Het Nederlandse Lied 1985-1990”, repertoireverzameling samengesteld door Marijke Zwanenburg en Henk Waardenburg. – Amersfoort-Leusden 1990. – Het z.g. Groene Boek; uitgave, voor intern gebruik, bij het 50-jarig bestaan. In het ‘voorwerk’ bijdragen van Henk Waardenburg, Jan Meilof en Els Dijkstra.

-              “Liedrepertoire voor het basisonderwijs. Het lied als kern van de muzikale vorming”, in opdracht van de Stichting tot verbetering van het muziekonderwijs op de christelijke scholen in Nederland [SVM] samengesteld door Jo van Eijnsbergen-van der Kolk, Mieke van Helden, Renske Nieweg en Piet Schoonhoven. – Haarlem, Uitgeverij De Toorts 1970. – Herziene drukken in 1973 en 1977. Na 1973 is niet  meer aangegeven dat de uitgave in SVM-opdracht geschiedde.

 

 

 

 

I. TOT 1940: DE WORTELS, DE BRONNEN, HET BEGIN 2

2.1.doc

 

 

 

I.    DE WORTELS,  DE BRONNEN,  HET BEGIN :

      ====================================

 

Renske's vormingsjaren in de AJC; de wereld waarin HNL

ontstond

                                                                                                                [ Hierna moet nog volgen: II. De eerste jaren ]

 

=================================================================================================

 

 

 

Op een zaterdag in de herfst van het eerste oorlogsjaar in Nederland wijdde de toen de 29-jarige muzieklerares Renske Nieweg (zang, piano, blokfluit) een nieuw cahier in door op de kaft te noteren:

 

                               Volksliedcursus

                               "Het Nederlandsche Lied"

                                                               RNieweg.

                                                                              26 Oct. 40.

 

 

Dat was niet het eerste schrift waarin zij begon op te tekenen wat zij met en voor mensen aan muziek deed; en er zouden er nog heel wat volgen. Het voor zichzelf vastleggen van haar activiteiten heeft de oprichtster van de Amersfoortse zanggroep “Het Nederlandse Lied” kennelijk in alle perioden van haar leven belangrijk gevonden. Zij deed dat systematisch en nauwgezet, in tientallen schoolschriften.

Daardoor kan tamelijk exact bronnenmateriaal ons ook informeren over de geschiedenis van dat nog altijd bestaande koor (hier verder afgekort tot HNL). Immers het is deze zanggroep die op 26 oktober 1940 als “volksliedcursus” van start ging. Nìet als koorvereniging of zangclub: dat was tijdens de nog geen half jaar eerder begonnen Duitse bezetting al direct niet toegestaan.

 

NOOT 2:

Het grootste deel van het bronnenmateriaal bevindt zich in de nalatenschap van Renske Nieweg, nu onder het beheer van haar nabestaanden; maar een belangrijk deel berust in het AJC-archief, dat thans is ondergebracht in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam (Inventaris AJC-archieven, dl 2 ‘Muziek en dans’, nrs 523-529).

   In het bij het 20-jarig bestaan van HNL aan Renske Nieweg aangeboden plakboek met herinneringen bevinden zich enkele documenten met betrekking tot  de oprichting en de toestemming daarvoor:

   - een brief aan Renske van Jop Pollmann dd 7.9.40  met zijn voorstel voor een persbericht;

- een kranteknipsel (Amersfoortse Courant?) met de hand gedateerd ‘sept. 1940’: “Volkszangcursus te Amersfoort – Uitgaande van de Vereeniging ‘Het Nederlandsche Lied’” (zie hierna paragraaf 3b-2);

- een verzoekschrift dd 11.2.1941 aan de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Amsterdam om ”toestemming voor het geven van een volkszangcursus te Amersfoort in het Jeugdgebouw Bloemweg” –  daarop een stempel “geen bezwaar mits geen onderwerpen van politieken aard ter sprake worden gebracht, direct noch indirect” dd 12.2.1941.

(Over de oprichting en de beginjaren van de groep uitvoeriger in een van de volgende hoofdstukken.)

 

 

Het initiatief ertoe kwam niet uit de lucht vallen; er is een voorgeschiedenis. Daar valt zicht op te krijgen vanuit een meer algemene invalshoek: door te vragen in wat voor een wereld dat koor kwam te functioneren, met welke motivatie, onder invloed van welke factoren; waarom een cursus? Waarom volkslied? Waarom 'Het Nederlandsche Lied'? En waarom juist in Amersfoort?

Daarnaast is een meer individueel gerichte vraagstelling mogelijk: naar die persoonlijkheid Renske, en welke voorgaande vorming haar zo geschikt maakte voor jarenlange bezielende leiding. Zij heeft het koor immers geleid tot 1980, en er daarna nog in meegezongen tot haar dood in 2002.

 

Voor de beschrijving van een geschiedenis van de nog steeds actieve Amersfoortse zanggroep "Het Nederlandse Lied" dienen beide wegen bewandeld. Ik wil met de tweede benadering beginnen, daarbij o.m. graag gebruikmakend van en verwijzend naar het schitterende boek van Jan Meilof.

 

 

NOOT 3:

Jan Meilof “Een wereld licht en vrij. Het culturele werk van de AJC 1918‑1959” (Amsterdam, IISG 1999) o.m. p 296vv.

 

De geschiedenis van het koor is al eerder in kroniekvorm en korte herinneringen vastgelegd. Verschillende koorleden hebben daarmee namelijk het ‘voorwerk’ samengesteld van drie bij de lustra in 1965, 1980 en 1990 voor intern gebruik verzorgde repertoirebundels: resp.:

- “Feestelijke uitgave bij de viering van het 25-jarig bestaan van het Nederlandse Lied” (p 1-33);

- “Het Nederlandse Lied 1940-1980” (het z.g. ‘Gele boek’, p 4-40) en

- “Het Nederlandse Lied 1985-1990 (het ‘Groene boek’, p 3-90).

 

Andere bronnen zijn, behalve de eerdergenoemde cahiers, o.m. diverse voor Renske Nieweg vervaardigde plak- en huldeboeken uit 1947, 1960, 1963, 1965, 1980, 2001; Renske zelf heeft in haar schriften en multomappen ook een aantal foto’s en krantenknipsels mbt. HNL bewaard.

 

 

 

 

Aspecten van Renske’s cahiers
Cultuur, levensbeschouwing, politiek
De zin van zingen
3_1

3_1.doc

 

 

     

3:      ENKELE ASPECTEN VAN RENSKE’S AJC-CAHIERS

 

 

3a:       CULTUUR, LEVENSBESCHOUWING EN POLITIEK

 

3a-1:      DE ZIN VAN ZINGEN

 

 

Wie ooit bij Het Nederlandse Lied heeft gezongen zal in de AJC-schriften uit de jaren '30 heel wat herkennen. En méér dan de vele tientallen door het Amersfoortse koor gezongen liederen, canons en meerstemmige zettingen die daar aan de orde kwamen. In de AJC-kampen stond toegewijd musiceren niet los van andere levensbelangen, maar vond zingeving in en werd gedragen door een zich bij de (meestal jonge) deelnemers ontwikkelende idealistische levensbeschouwing: zij waren daar bij elkaar om te leren hoe zij die verder zouden kunnen uitdragen. Dat was meebepalend voor de keuze van en de omgang met die muziek en met elkaar.

 

Hoezeer gericht op inzet en musiceervreugde, ook later ging het Renske uiteindelijk altijd om méér, om een levenshouding van in gemeenschapszin verantwoorde, toegewijde "dienst" aan de muziek. Daarbij paste geen competitiedrift, noch individualistische virtuositeit. Wel moest ieder, door actief en naar beste vermogen mee te doen, waarachtig en persoonlijk, groeiend kunnen delen in hogere culturele en sociale waarden.

 

Anders dan de AJC evenwel was HNL een levensbeschouwelijk nogal heterogene verzameling mensen, die zeker aanvankelijk nog had uit te groeien tot een echte gemeenschap – geen sinecure in een toen sterk verzuilde samenleving. Naar getuigenissen van oudleden ging dat bij HNL in het eerste jaar nog wel wat krampachtig, maar zeker na het eerste gezamenlijk doorgebrachte weekend (12-13 juli 1941 in ‘Ons Blidscap’ te Amerongen) kon het koor een gemeenschap van vrienden genoemd worden. De overwegende (doch zelden geëxpliciteerde) levenshouding in de groep valt daarna steeds juister te typeren met begrippen als ‘open’ en ‘tolerant’: in brede zin ‘humanistisch’ dan wel ‘algemeen oecumenisch’, wellicht juist doordat bij sommigen meer bepaald (vrijzinnig) religieus-socialistische inspiratie meespeelde.

 

Het lijken in hoge mate toch deze ideeën, haar van nature noch afkomst vreemd, waarmee Renske ook is gevoed in de AJC-muziekleidersbijeenkomsten. Verscheidene aantekeningen in de cahiers spreken van levensbeschouwelijke aandacht en interesse voor diverse stromingen van geestelijk, ook religieus leven. Anderszins verhelderen die de opvattingen over wat musiceren in de nieuwe cultuur zou kunnen en moeten zijn; en zij maken Tiggers' weerzin tegen de toenmalige professionele muziekopleidingen begrijpelijker. Die streefden in hun vormende activiteiten immers geheel andere doeleinden na! Zie bijvoorbeeld een notitie van 26 juli 1934 (AJC-cahier IV p62). De AJC wil:

 

                "protesteren tegen een beschaving, die zij niet accepteert" en beoogt "zelfopvoeding tot dienst, eerbied aan de muziek."

 

En verder hieronder in paragraaf 3a-2 het citaat uit cahier III p 33v uit 1931; dit onderwerp komt daar uitvoeriger ter sprake.

 

 

NOOT 13:

Mij lijkt overeenkomst te bestaan tussen Renske’s gezindheid en die van persoonlijkheden als Dirk Coster (1887-1956) en Just Havelaar (1880-1930), oprichters van het literair-culturele maandblad De Stem (1921-1941), en beiden, vooral de laatste, in vriendschap verbonden met de familie Nieweg.

Garmt Stuiveling, zelf socialist en tekstdichter van verscheidene bij de AJC gezongen liederen, typeert genoemd tijdschrift als: “vrijzinnig en democratisch. Geen individuele artiestentrots, geen afzijdigheid van de maatschappelijke vraagstukken, geen dogmatische godsdienst en geen partijpolitiek vindt men hier, maar een menslievend idealisme, dat door de tegenstanders te vaag werd geacht.” Zijn beschrijving van Costers overtuiging: “humaan, ethisch, anti-dogmatisch, religieus-getint, sociaal gericht” zou in grote mate op die van Renske Nieweg toegepast kunnen worden. (Cf. G. Stuiveling: “Schets  van de Nederlandse letterkunde”, 30e druk, Groningen 1966, pp186 en 194). Zie ook Meilof 1999, pp297, 300, 392.

In Renske’s nalatenschap trof ik de editie 1927 van Dirk Costers “De Nederlandsche poëzie in honderd verzen” aan, met door hem eigenhandig geschreven opdracht aan haar ouders: “Voor Jacob en Neine van hun vriend Dirk, met dank voor alle belangstelling, A’foort, Dec 1927”.  -  De vriendschap met Just Havelaar dateerde uit de periode dat zowel de familie Nieweg als Havelaar in Spankeren gewoond had; later woonden beide gezinnen vlak bij elkaar in Amersfoort. In haar eerder genoemde toespraak tot Renske uit 1976 memoreert Carla Idenburg-Kohnstamm gezamenlijke muzieksessies met zoon Charles; met hem  en met Lieske Havelaar is de vriendschap er een voor het leven geweest.

 

 

De nu volgende citaten c.q. samenvattende signaleringen uit de cahiers willen "uit de eerste hand" zicht geven op Renske's ervaringen in de AJC-muziekleiderskampen als een belangrijke bron van haar denkbeelden; ze kunnen verduidelijken hoe die niet alleen haar muzikale aanpak bepaalden. Ze tekenen tevens een levensopvatting en een mensbeeld zoals die de leden van Het Nederlandse Lied niet onbekend zijn gebleven.

 

Ik heb geprobeerd ze grofweg te splitsen in meer algemene en meer specifiek op de muzikale werkwijze gerichte ideeën. Hier volgen die van de eerste categorie; die van de tweede zullen elders in deze studie een plaats vinden.

De citaten zijn in principe steeds chronologisch geordend en worden letterlijk weergegeven (ook qua interpunctie en spelling - Renske schreef nu eens in de oude, dan weer in de toen moderne). Onderstrepingen zijn van haar; het vet is gewoonlijk door mij aangebracht. Het romeinse cijfer verwijst naar het cahier waarin de tekst gevonden is; het arabische naar de (daar merendeels door mij aangebrachte) paginering.

 

 

 

 

 

Volkslied 4_1

4_1.doc

 

 

           

3b:       VOLKSLIED

 

 

 

In de AJC-cahiers komt het volkslied op talloze plaatsen ter sprake. Het werd dagelijks gezongen (overigens naast veel andere muziek) en er werd intensief over nagedacht. In Tiggers’ visie op taak en mogelijkheden van de nieuwe cultuur waar men zo geestdriftig aan bouwde nam het een belangrijke plaats in. Het genre stond trouwens ook buiten de AJC in de belangstelling, zoals hier verderop nog aan de orde zal komen. HNL startte in 1940 heel bewust als volksliedcursus, met het zingen en leren doorgeven van Nederlandse volksliederen als officieel doel. Dat voor Renske Nieweg het volkslied waardevol is gebleven als basis van het HNL-repertoire blijkt onder veel meer uit haar zeer informatieve voorwoord  op de “Feestelijke uitgave bij de viering van het 25-jarig bestaan van Het Nederlandse Lied” (Paasheuvel, oktober 1965); dit stuk verdient in zijn geheel opgenomen te worden in deze studie; zie bijlage……… . Hier citeer ik een relevante passage:

“             het Nederlandse volkslied [blijft] in al zijn verscheidenheid van fiere, kloeke, stille, ernstige, vrolijke en gezellige liederen, karakteristiek voor de Nederlandse volksaard, de basis van ons repertoire […] vormen. Steeds weer hebben we ervaren, hoe waardevol het is over een groot repertoire liederen te beschikken die ‘zo maar’ gezongen kunnen worden, het éne lied na het andere, zonder boekjes. Dat hier canons en eenvoudige liedzettingen het repertoire verrijken, spreekt vanzelf. Volksliederen krijgen pas hun functie wannneer ze volkomen door de groep zijn opgenomen, zo, dat ze op ieder moment gebruikt kunnen worden. Volksliederen, evenals alle volkskunst, zijn gebruiksvoorwerpen en als zodanig hebben ze ook inderdaad in onze groep gefunctioneerd […] Ze hebben de groep helpen vormen. Maar ook omgekeerd: hoe meer de groep als groep functioneert – en niet alleen maar ‘koor’ is – des te sterker is de behoefte aan het eenvoudige, ‘gewone’ lied. […]

Het Nederlands volkslied kan niet uitsluitend het repertoire van een zanggroep vormen; wèl blijft het als basis en ‘kernrepertoire’ zijn grote waarde behouden. […] Het is opvallend dat het volkslied steeds weer een prachtige weg blijkt te zijn om ook grotere werken te musiceren. Vanzelfsprekend heeft dit onze muzikale en geestelijke horizon belangrijk verruimd.    “

 

NOOT 18:

Feestelijke uitgave bij de viering van het 25-jarig bestaan van het Nederlandse Lied, Paasheuvel 1965, pag. 2

 

Terug naar de cahiers uit de jaren ’30. Illustratief voor de eerder genoemde "veralgemening" van de AJC zijn Renske's notities over 28 januari 1934: niet alleen 'strijdliederen' zijn zinvol om te zingen in de beweging, juist ook volksliederen hebben hun waarde: als

 

                "neerslag van het menschelijk leven, bekeken van al zijn verschillende kanten" en daarom "basis van ons muzikaal werk". (IV 48-49)

 

Dat klinkt heel wat minder fanatiek dan het hier eerder vermelde, door de dogmatische geest in de cahiers nogal uit de toon vallende verslag dat Marietje Jonkmans heeft aangeleverd van de slotbespreking dd 8 juli 1933 van het vijfde muziekkamp (IV 38 tm. 41). Daar luidt het o.m.:

 

                " De revolutionaire kunst wil niet in 't wilde weg iets nieuws. Wanneer het nieuwe komt, dan geschiedt dit door de beweging der ideeën van het geheele proletariaat. De revolutionaire kunst knoopt aan bij de bestaande vormen, die in de muziek op de volgende twee punten geconcentreerd kunnen worden:

                                1) de z.g. volksmuziek inzooverre zij de muziek is van de arme boer, die zich opgericht heeft; of inzooverre zij de vrijheidsbeweging van een, onverschillig welke, natie of ras weerspiegelt (Holbein, Rembrandt).

                                2) burgerlijke muziek, voor zoover zij stamt uit het tijdperk van de burgerlijk-revolutionaire gedachte (Buxtehude, Schein, Haydn, Mozart, Beethoven, dus 15e, 16e, 17e en 18e eeuw).

                                 De grondslag van de proletarische kunst is het lied, dat op de barricades gebouwd wordt; het lied, dat door de bourgeoisie gehaat wordt, niet om zijn vorm, doch om zijn gedachte.

                                Voor de verbreiding van onze opvatting hebben we noodig:

                                1) een kader van arbeidersmuzikanten, die geschoold zijn volgens de nieuwe beginselen.

                                2) een organisatie van dit kader, waarin de strengste geestelijke discipline heerscht

                                3) Een onophoudelijke samenwerking van dit kader met de massabeweging v.h. proletariaat. "

 

Straks komen wij hier nog op terug. Het lijkt hier de plaats om eerst in te gaan op de betekenis die in het culturele werk van de AJC werd gehecht aan het zingen van volksliederen. In navolging van de Duitse zusterorganisatie haakte Tiggers al begin jaren '20 in op een reeds uit de vorige eeuw daterende volksliedbeweging, hoezeer die oorspronkelijk ook "burgerlijk" van karakter was.

 

 

Cursuskarakter 5_1

5_1.doc

 

 

3c:       CURSUSKARAKTER:

 

 

De AJC-kampen waren bedoeld als kadertraining; het in 1940 opgerichte Amersfoortse koor wilde dat ook zijn. Maar vermoedelijk zullen alleen de oudste leden van HNL zich nog herinneren dat in de beginjaren, zoals wel vanzelfsprekend moest zijn bij een als volkszangleidingscursus begonnen groep, sommige koorleden de opdracht kregen om een lied te laten zingen, waarna door de groep (helpende) kritiek werd gegeven op hun aanpak. In de door Piet Tiggers en Renske Nieweg geleide kampen voor  muziekleiders van de AJC blijkt dit zeker vanaf augustus 1935 een gebruikelijke methode:

 

-              V 2: (zondag 4 augustus 1935 11 u.:)

 

                "              Zangles van Carla. a) Caffeecanon b) Waer staet jou Vaders huys en hof. Opmerkingen:

                                beslist, voorbereid

                               gelet op de welving v.d. melodie

                                stem om voor te zingen: te mooi, moet zakelijk zijn.

                                't aangeven onder 't zingen niet beslist genoeg

                                niet genoeg contact tussen Carla en de mensen; niet beginnen voor ieder kijkt.

                                hoe dirigeeren: óf cheironomie óf takteren.

                                Met het aangeven, het lied wekken, bevrijdend werken, Carla dekt te veel, haar eigen opvatting te veel opgelegd.    "

 

(Wìj weten nu dat de les resultaat heeft gehad. Per 1 oktober 1945 volgde Carla Piet Tiggers op als centraal zang- en muziekleidster van de AJC.)

 

NOOT 39:

Van der Louw (1974) p100:

"Denk ik zelf terug aan een Pinksterfeest, dan is mijn eerste associatie een zonnig openluchttheater met Carla Kohnstamm of Noortje Witte op het podium. Carla (wat aan de strenge kant maar toch met een blijde lach op zijn tijd), die ons met hoekige ruime gebaren de nieuwe canons leerde, die me op een prille zomerse dag nog steeds vergezellen: 'Geen dag kan zo beginnen...'; Noortje, terughoudender maar ook om sneller stil verliefd op te worden: 'Schoon lieveken waar waardet ghy...'

 

-              V 5: (maandag 5 augustus 1935, 11 u.:)

 

                "              Zangles Dien Kes. a) Vrolijk zingen wij b) Geniet van de bloemen.  Opmerkingen:

                               Moet een lied op 't bord geschreven worden?

                               toonhoogte en ritme aangeven met de handen

                               geleund staan of vrij

                               meer de methode 'uitdiepen'              "

 

NOOT 40:

Het tweede lied, een tweestemmige canon uit Duitsland, staat als nr 70 ‘Geniet toch van de heerlijke Mei’ in de AJC-verzamelzangbundel uit 1938 Bonte Vlucht deel 2, p154.

 

Ook in volgende kampen werd deze lespraktijk voortgezet:

 

-              V 27 (zondag 2 augustus 1936, 10.45 u:)

 

                "              Zangles Carla.  Freu dich, Warme garnas.

                                Opmerkingen:

                                Fem: je leert van Carla, om je vrij prettig te bewegen.

                                Man[us v.d. Leede]: C. staat niet stil.

                                Jacque: 3/4 verkeerd omgeslagen (!)

                                                  tekst meer uitleggen

                                                 dirigeren vanuit de schouder.

                                Piet: Het niet stil staan is een uiting van nervositeit.

                                                Inzetten duidelijker aangeven                                      

 

-              V 31-32 (maandag 3 augustus 1936, 10.45 u:)

 

                "              Zangles Jacques.  Hup één, Vriend Pieter

                               Rens: leert het niet aan de nieuwen

                                Wim G[affel]:         bewegingen te veel en te slap, te gemanireerd en te druk. Te veel voordracht, te dik erop - Niet gelet op zakken.

                                Het zakken is niet alleen een muzikale kwestie, ook een paedagogische.

                                Jacques: door bewegingen de zaak stimuleren.

                                Manus v.d. Leede:               we worden op die manier trekpoppetjes i.p.v. dat er iets-in je zelf gewekt wordt.

                                Carla:      Klinkers niet alleen, ook medeklinkers. De bewegingen geven niet de innerlijke spanning aan, doch bootsen na.

                                Zingen met Piet:   Juchholla, Ich ging emoll, Lieber Freistädtler               "

 

-              V 34-35 (dinsdag 4 augustus 1936, 10.45 u:)

 

                "              Zangles Fie Koestal.  Zingend trekken wij voort, Wees welkom

                                Man.: waarom alleen canons?

                                Henk v. Laar: te weinig aandacht a/d. tekst

                                Wim Wimvenius [sic]:         tekst canons van weinig belang. klinkers, medeklinkers niet uitspreken, klinkt lelijk.

                                Otto:       de meesten zijn verlegen, zijn daarom bang te veel te zeggen en laten alleen maar zingen.

                                Henk:      niet zo zeer de tekst als wel de stemming die er achter zit.

                                Piet T.:    bij ons is de tekst juist zeer belangrijk. Klinker heeft alleen betekenis als hij afgewisseld wordt

                                                                Daarom geen lalala - verstarring  De vocalen worden afgewisseld door medeklinkers. - Het fantaseren kan soms gevaarlijk zijn, door verkeerd fantaseren.

                                Otto:       niet na afloop iets zeggen, doch het ondertussen zelf aangeven.

 

 

 

 

Muziekleiding en opvoedingsidealen 6_1

6_1.doc

 

 

 

            3e:       MUZIEKLEIDING EN OPVOEDINGSIDEALEN

 

 

Hierboven is al melding gemaakt van "proeflessen" tijdens de muziekkampen in 1935 èn 1936; zangleiding is een vak, dat geleerd moet, en vraagt scherp kritische zin. Maar muziek functioneert, volgens Renske Nieweg naar de opvattingen van haar leermeester Tiggers, binnen het totale menselijke bestaan en is voor iedereen; het echte musiceren wordt gedragen door gemeenschapsgevoel en vraagt om inlevende leiding, die afziet van gemakzuchtige loutere resultaatgerichtheid en die de hele persoon wil activeren. Aldus is musiceren ook opvoeden, d.w.z.: "het aankweken van de kiemen van verantwoordelijkheidsbesef, het ontwikkelen van 't zelf oordelen". Mede vandaar aandacht voor groepsdynamische aspecten zoals spreekt uit het lesconcept 'Zingen met Rode Valken' (de groepen 12-16 jarigen van de AJC) op vrijdag 7 augustus 1936. (In het hier volgende citaat heeft Renske vóór de eerste zin in de kantlijn een het belang van de uitspraak benadrukkende verticale streep gezet.)

 

1936:

====

 

V 48:       "              Practische psychologie is: vertrouwen geven en wekken; persoonlijk vertrouwen krijgen.  Nooit een schoolsche methode toepassen." "Muziek is nooit doel; hij die dit wel zo ziet, wordt verstard. [...] Kunst [...] staat niet boven de politiek, maar is direct verbonden met de sociale stromingen.

                                Het zingen is middel in de muzikale opvoeding: gevoel voor abstractie. [...]

                                Muzikaal gehoor heeft iemand, wanneer hij in staat is geluiden te kennen en te onderscheiden.

                                We maken in de muziekgroepen gebruik van [..] 4) zin tot gemeenschap [...]  5) Zin voor 't natuurleven"

 

Als fouten bij het onderwijs worden o.m. aangewezen (V 51-52): "zangonderwijs, dat geen muz.onderwijs is" en: "instrument erbij", d.w.z.: werk niet met (piano)begeleiding, want dat leidt maar tot nazingen (zoals elders in het cahier staat). Herkenbaar zijn ook de richtlijnen: "regelmaat", "rust", "niet te veel tegelijk", "sober zijn met nieuwe liederen, oude veel herhalen". En natuurlijk het paradoxaal geformuleerde maar bij Renske o zo passende adagium: je kritiek...

 

                ..."moet zeer scherp maar mild zijn".

 

 

 

 

Tactische \ strategische \ (partij-) politieke overwegingen 7

7.doc

 

 

 

3f:        TACTISCHE \STRATEGISCHE \ (PARTIJ-) POLITIEKE OVERWEGINGEN

 

 

Een aantal andere noties uit de AJC-muziekleiderskampen zijn bij HNL niet aan de orde. Hierbij moeten we denken aan overwegingen van tactische, strategische of (partij-)politieke aard. Toch zijn ze in dit overzicht van belang vanwege het daarmee verduidelijkte beeld van Renske’s vormingsjaren.

 

Een a-politiek, algemeen-humanistisch klimaat, dienstbaar aan muziek en gemeenschap – alles goed en wel. Maar de interne problematiek binnen de rode familie kwam kennelijk wel eens ter sprake, blijkens het tijdens het 9e AJC-muziekleiderskamp op pp 60-61 van het vijfde cahier opgetekende discussiepunt (in deze studie reeds eerder aangehaald) van maandagmiddag 26 juli 1937 5 uur:

 

V 60:       "              Mag een van ons in een andere beweging 't zij N.V.V. of andere, les geven, al of niet voor geld.

                                Piet 1 [sic] Indien iemand van ons los is en deze manier van werken zó overlevert, kan dit onmogelijk nut en resultaat hebben.

                                Wim Lindenberg: Wèl, als ze maar contact met onze beweging (P.T.) houden.

                                Piet: Alles is nog jong en rudimentair zodat de doorsne A.J.C.ers nog niet naar buiten kunnen werken.        "

 

Deze bespreking werd om 8 uur voortgezet; daarover de notitie:

 

                "              Moeilijke tijd door de achteruitgang van de welvaart. Men zou behoefte hebben aan sterke prikkels: film, cabaret. Het is nodig deze vervlakking tegen te gaan en allereerst in eigen kring de zaak te consolideren.  Ons Huis: voornamelijk zoethouden.         "

 

Maar over een wel heel brede aanpak werd ook nagedacht, zoals te lezen valt in de aantekeningen van de vrijdagmiddag daarop (2 uur, 30 juli 1937) na tweestemmig Krüger zingen; bij de voortzetting van een lessenserie over 'muzikale smaak van het volk':

 

V 68:         "            De muzikale smaak staat laag in Nederland. Men kan niet spreken van een muzikale cultuur.           “

 

NOOT 44:

De merkwaardige formulering doet vermoeden dat in deze bijeenkomst het boekje uit 1923 "Muziek 'voor de volksklasse'" van de muziekredacteur van Het Volk Paul F. Sanders aan de orde is geweest (Amsterdam, socialistische uitgeverij 'Ontwikkeling'). Op p137 aldaar lezen we:

 

"(...) dat het peil der muzikale volksontwikkeling in geen verhouding staat tot de behoefte, die onze tijd wekt. Dat de volkssmaak laag wordt gehouden door de z.g. volks- en amusementskunst, die niet organies uit het volk is voortgekomen, doch 't van buitenaf is opgedrongen."

 

In dat boekje komen o.m. ook pogingen aan de orde om tot verbetering van de volkszang te komen: van 'burgerlijke' zijde in de Nederlandsche Volkszangbond, van socialistische zijde in de Bond van Arbeiderszangvereenigingen in Nederland. Van de eerste wordt gezegd (p50): "bij de landsgrenzen houdt zijn geestdrift op. Met zijn nationale symbolen staan of vallen zijn aspiraties en inspiraties. Voor het socialisme echter, dat "werkt voor een gemeenschapideaal ... bestaan geen grenzen."

 

 

Opvallend is dat in het vervolg van deze notitie enige verwijzing naar de activiteiten van Gehrels ontbreekt, terwijl toch al vanaf 1932 in Amsterdam zijn Volksmuziekschool (ongesubsidieerd) functioneerde:

 

                “              M.t.b.d.T. [= Mij. ter Bevordering der Toonkunst RM] had vroeger zangscholen, waaraan onderwijzers les gaven. Men kon in Utrecht hiervoor het diploma Volkszang behalen. Deze scholen, zijn bij gebrek aan belangstelling opgeheven.

                                De muzikale smaak moet ontwikkeld worden door goed zingen.

                Buiten de school:

                                Ver. tot verbetering van de volkszang: Amsterdam: de Hertog. In Utrecht zingen de kinderen op pleinen met fanfare orkesten.

                Dit werk is absoluut onvoldoende:

                                               a) teksten

                b) onmuzikaal

                                c) fanfare orkesten

                Als voorbeeld, hoe er wel gewerkt moet worden, kan gelden, het werk dat in Duitsland (voor '33) verricht is door Prof. Leo Kestenberg

                                                Das Volkslied für die Jugend  Peters

                                                à capella\pianobegeleiding\instrumenten } goed uitgezocht voor practisch gebruik.

                In Nederland:

                                                Nutsuitgave: Ned. Volksliederenboek  enorm verbreid. ±1880 Dan. de Lange - Mr Kalf

                Het Nut vraagt nu zelf: moeten deze bundels op ’t ogenblik zó weer herdrukt worden? Zijn er geen andere wegen nodig?

                Pollmann: herstel van het Middeleeuwse Ned. Volkslied.

 

[Bij de daarop volgende zin heeft Renske een verticale lijn in de kantlijn gezet:]

 

                 |              Dit kan nooit: het internationale element is nodig. Wij zijn hier steeds door beïnvloed geweest en kunnen ons niet de beperking van de eigen grenzen opleggen. Vlaanderen is ons ver voor, grote verscheidenheid en diepte.

                                 Soms is het in de praktijk nodig, liederen van mindere betekenis te gebruiken om de mensen eerst te krijgen, aan te knopen bij hun niveau.

 

Inmiddels is echter wèl de naam van Jop Pollmann gevallen, de eerste keer in Renske’s cahiers.

 

NOOT 45:

Voor Willem Gehrels – bij wie Renske later een onderwijsbevoegdheid behaalde –  zie ook noot 34, en hierboven de paragrafen  1 en 4b-4, hierna paragraaf 5b-1, en noot 66. Verder o.m.:

 

-      Willem Gehrels: “Algemeen vormend muziekonderwijs”. – Purmerend, J. Muusses, [z.j.; 1942 1e druk]; bovendien door mij gebruikt: de 7e, herziene druk van 1956. De tekst van het citaat is daar terug te vinden in het eerste hoofdstuk ’Algemene beschouwingen’, op pag. 5.

-      “Dr. Willem Gehrels 1885-1971”, herdenkingsschrift uitgegeven door de Gehrels Vereniging en het Dr. Gehrels-Instituut, samengesteld onder redactie van Jan Breimer, Bram Pak, Joh. Rotman en Nico Zaat en verschenen als extra uitgave van de Pyramide, z.p., z.j. [druk: J. Muusses nv, Purmerend 1971]. Daarin het artikel van Mies Müller: ‘Het begin’, p 30-36. Ook Renske Nieweg leverde een bijdrage: ‘Door muziek tot muziek’ (p 37-38).

-      Ronald Doornekamp en Ariëtta van Olphen: “Wat dunkt, heb ik een taak? Willem Gehrels en de muzikale opvoeding in Nederland 1932-1971”. – Uitgave van de Stichting ter Bevordering van de Muzikale Vorming (SMV),Born, 1996.

 

 

 

 

Jop Pollmann – “Ons eigen volkslied” 8

 

8.doc

 

 

3g:       JOP POLLMANN - "ONS EIGEN VOLKSLIED"

 

 

De neerlandicus dr. J. Pollmann (1902-1972) was in 1935 aan de Katholieke Universiteit Nijmegen bij Van Ginneken gepromoveerd op "Ons eigen volkslied" en had ten behoeve van rooms-katholieke jeugdorganisaties, waarin hij als student al actief was, vanaf 1931 reeds verschillende zangbundels het licht doen zien, met Nederlandse volksliederen; ze komen later nog ter sprake (zie ook noot 50). Hij is de belangrijkste voorman geworden in de beweging die in Nederland herstel van het volkslied heeft nagestreefd. Vanaf 1938 was hij adviseur van de in 1904 opgerichte Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsche Lied  (zie paragraaf 3b-2).

 

Renske bezat de handelseditie (1936) van zijn dissertatie; potloodstrepen en aantekeningen wijzen op bestudering ervan. Ook zijn van haar hand tal van notities bewaard, gemaakt op Pollmann's cursussen en bij zijn lezingen en publikaties. In de loop der jaren heeft Renske veel contact met hem gehad, zoals ook blijkt uit bewaard gebleven correspondentie en uit een handgeschreven opdracht (juli 1962) in Renske's exemplaar van de 13e druk van "Nederlands Volkslied". Die contacten zijn ongetwijfeld in gang gezet en gestimuleerd door de groeiende samenwerking tussen Tiggers en Pollmann, beiden idealist, de een socialist, de ander rooms; beiden ijverend voor een vernieuwde cultuur in een levende gemeenschap.

Door zijn functie bij de reeds bestaande vereniging “Het Nederlandsche Lied” is Pollmann ook direct betrokken geweest bij de oprichting van HNL in 1940, toen immers begonnen als jongste loot aan die oude boom. In het op 20 oktober 1960 aan Renske aangeboden gedenkboek bij het 20-jarig bestaan van het koor is een Beste-Renske brief van Pollmann ingeplakt, dd 7 september 1940, waarin hij de tekst van een persbericht over de oprichting voorstelt die ook grotendeels door de plaatselijke pers is gepubliceerd; tevens blijkt daarin dat hij gezorgd heeft voor de tijdens de pas begonnen bezetting benodigde toestemming van de procureur-generaal. Een cursus onder zijn leiding te Doorn, met een zeer gemêleerd gezelschap, was in augustus van dat jaar kennelijk de kweektuin geweest. Later hier meer over deze blijde gebeurtenis.

 

Uit Renske’s hierboven (einde paragraaf  3f) aangehaalde notitie blijkt enerzijds, dat in het muziekkamp van 1937 een belangrijk punt van Pollmann was opgepikt. Die had verval van het eigen Nederlands volkslied vanaf plm. 1550 gesignaleerd, veroorzaakt door verschillende factoren. Hij noemde in dat verband achtereenvolgens: rederijkerij, calvinisme, overgrote import van liederen uit andere landen, en "ongezonde invloed" [: "behaagzucht" en "virtuositeit"] van "specifiek instrumentale techniek op de strikt vocale eisen van de melodievorming" (deze samenvattende formulering is van Vos). En tenslotte "decadentie van den geest en de liedtekst".

Herstel zag hij met name mogelijk door actieve aandacht voor het lied uit de bloeitijd: het middeleeuwse volkslied. "We moeten daar weer leeren wat het eigen volkslied in melodie en rythme en tekst is". Op den duur zou dan toch ooit ( na "nog menig geslacht") en dankzij de "nieuwere Jeugdbeweging" - hier noemt hij prijzend de door Tiggers verzorgde bundels -  "ons eigen volkslied" weer bloeien.

 

Anderzijds wordt duidelijk nu al kritiek gestipuleerd op Pollmanns in die periode nog sterk nationaal gerichte restauratiepogingen. Die hoopte en verwachtte immers dat dóór die terugblik "naar het ongeschonden volkslied van de bloeiperiode" (...) "het nieuwe, eigene, nationaal-Nederlandsche lied zal ontstaan". Hiermee verwante motivatie treffen we overigens elders al eerder aan; lees bijvoorbeeld Hensels “Lied und Volk” uit 1923. Vanuit de veel meer internationaal gerichte socialistische gezindheid worden daar natuurlijk vraagtekens bij gezet.

 

NOOT 46:

J. Pollmann: “Ons eigen volkslied”, Amsterdam 1936,  pp 140-161, 229, 232-233; Vos 1993 p288;  Walther Hensel: “Lied und Volk”, Kassel, Bärenreiter-Verlag, 1923 (na 1927 herziene herdrukken);  Over Pollmann ook: Vos 1993.

In 1961 wordt overigens met spijt geconstateerd dat een goed eigentijds volkslied maar niet van de grond wil komen: Wouter Paap, ‘Volkszang in onze tijd’  in het decembernummer van “Mens en Melodie”; dat referaat verscheen ook samengevat in “Neerlands volksleven”, 12e jrg nr. 1, p9-11. Andere bijdragen in dat tijdschriftnummer brengen het probleem eveneens ter sprake.

 

Na al een eerste ontmoeting ten huize van Carla Kohnstamm in 1934 hebben Tiggers en Pollmann vanaf 1936 intensiever contact. Ook Tiggers heeft dan al bundels liederen op zijn naam, verzameld voor de AJC in "De lijster" (1925), "De merel" (1927) en "De wielewaal" (1931). Evenals Pollmann vanaf 1931 heeft hij daarbij o.m. geput uit het standaardwerk "Het oude Nederlandse lied" van Florimond van Duyse (drie delen, Den Haag, Nijhoff 1903-1907; ook bij Renske op de plank.)

Zoals bekend resulteerde hun relatie in een uiterst vruchtbare samenwerking; hun bundel “Nederland’s volkslied” (1e druk 1941; 19 latere herziene drukken) is een begrip geworden. en zal hier nog dikwijls ter sprake komen.

 

NOOT 47:

Pollmann 1936, pp 229, 232;  Vos 1993, p281vv., 329vv;  “Nederland’s volkslied” [in de volgende drukken zonder de apostrophe], liederen en canons verzameld door Jop Pollmann en Piet Tiggers, [Haarlem] Uitgeverij De Toorts, 1941.

 

Met de idealistische katholieke Pollmann manifesteert zich een van de andere bronnen waaruit Renske haar ideeën heeft geput – en mèt haar HNL.

 

 

 

 

De Katholieke jeugdbeweging waar Pollmann uit stamde 9

9.doc

 

 

 

4.      DE KATHOLIEKE JEUGDBEWEGING WAAR POLLMANN UIT STAMDE

 

 

Op de eerste wereldoorlog volgde ook in Nederland, en dat zeker onder bewuste jongeren van zeer verschillende levensovertuiging, een krachtige golf van vitaal en humanistisch idealisme, dat zich in allerlei vormen en op diverse terreinen manifesteerde: in groeperingen op levensbeschouwelijke grondslag, in kunst en literatuur, in onderwijs, en in de jeugdbeweging. De AJC is er één voorbeeld van, maar ook elders gebeurde er van alles.

 

1923 bracht in het lang lopende proces van de katholieke emancipatie een belangrijke mijlpaal: in Nijmegen ging de Katholieke Universiteit van start. Ook daar kwam een nieuwe, idealistische generatie aan het woord, bewust en strijdbaar rooms-katholiek; en hoewel vaak in gevecht met behoudender kerkelijke machten enerzijds, veelal toch sterk gericht contra te werelds-humanistische denkbeelden en invloeden van buiten het katholieke denken anderzijds. Een van de hoogleraren was de 41-jarige vrome kunsthistoricus en literator Gerard Brom. Hij was geïnspireerd door Quickborn, een Duitse idealistische katholieke jongerenbeweging, zoals veel revolutionaire groepen in die tijd geheelonthoudend. Figuren als Klemens Neumann en Romano Guardini speelden een leidende rol in deze in 1913 ontstane groepering. (Met name de laatstgenoemde zou in de jaren '50 nog groot gezag krijgen in Nederlandse r.k. kringen die ook toen, hoezeer ook ingebed in een groter naoorlogs restauratief proces, wel als vooruitstrevend golden.)

 

NOOT 48:

Cf. o.m. Ido Weijers: Terug naar het behouden huis. De Utrechtse School en de Nederlandse roman 1945-1955. - Dissertatie Rotterdam, 1991. Verder Vos 1993.

 

Evenals zijn echtgenote, de bekeerlinge Willemien Struick, ijverde Brom voor een dynamisch en blijmoedig katholicisme, waarin de grote culturele waarden de gelovige mens zouden voeren tot het hogere doel dat niet van deze wereld is. Dat streven had een sterk apologetisch en propagandistisch karakter - iets wat andere bewegingen van die tijd overigens allerminst vreemd was: marsen met vaandels, massale bijeenkomsten en samenzang; strijdliederen en spreekkoren, vlugschriften en brochures - het hoorde er allemaal bij. Zoals ook de afkeer van moderne "vervlakkende" cultuurvormen: schlagers, dancing, bioscoop, vaak ook: sport, cafébezoek, roken, enz. - allemaal uitingen van een "zielloze" moderne samenleving die geen echte "gemeenschap" meer was. Want om die gemeenschap ging het de idealistische bewegingen van het jonge interbellum. En waar zoveel socialisten die ooit terug meenden te vinden in de periode van pré-industriële arbeid, herkenden de rooms-katholieken haar in een retrospectief ideaal. Zij koesterden het al sinds de 19e eeuw aangekweekt beeld van de middeleeuwen, waarvan heette dat toen de mens nog eenvoudig, echt, religieus en natuurlijk had kunnen leven.

 

NOOT 49:

Hoe ver de denkwereld van iemand als Brom nu van ons afstaat kan moeilijk duidelijker worden geïllustreerd dan door enkele passages uit zijn 'Inleiding' op de eerste bundel Reidansen, in 1928 uitgegeven door zijn echtgenote; een inleiding die nog in de vijfde druk van 1946 afgezien van de spelling ongewijzigd kon worden opgenomen. En zo een tekst zegt toch ook iets over het publiek waarvoor geschreven werd: jongeren in goed-rooms organisatieverband als Heemvaart en De Graal.

 

                " Onze schijnbeschaving is van de natuur zo hopeloos vervreemd, dat de mensen opnieuw dansen moeten leren. Want de woede, waarvan deze tijd overal bezeten lijkt, heeft van dansen alleen de naam overgehouden. Wanneer een kind eventjes van verrassing huppelt of het volk achter een optocht plotseling aan 't hossen slaat, is het wezen van de dans veel echter weergegeven dan op allerlei bals, waar het werktuigelik gestap en geschuif van kleverige paren hoegenaamd geen gevoel uitdrukt, behalve lager instincten, die brutaal met beestenamen als foxtrot, turkeytrot, pas de l'ours aangeduid worden.

                Zulk hangerig schommelen beantwoordt niets aan een beweging van de ziel en evenmin aan de geest van gemeenschap. [...] Voor- en tegenstanders van de slaafse modestep kunnen zich geen van beiden meer voorstellen, hoe het Oude Testament bij al zijn strenge wetten herhaaldelik het dansen als een heilige uiting verheft en hoe de vrome Vondel naar bijbels voorbeeld ook de engelen in 't paradijs laat dansen, 'Gods naam ter ere'. Hun statige, zwzierige kring volgt de vaart van de sterren om de zon, de gang van de schepping, de loop van de geschiedenis geestdriftig na. Bij iedere maat worden zij bewuster één met de goddelike kracht, waardoor natuur en leven samen bezield raken, Gedragen door zo'n reine verrukking, voelt de mensheid vanouds zijn voeten licht worden tot een opgetogen glijden en zweven, om de gebondenheid aan de aarde tenminste in de verbeelding vol heimwee te overwinnen. Die oorspronkelijke lentestemming blijft helaas ver buiten de zwoelheid van nachtelike balzalen, waar odeur en alcohol ten overvloede nog een onder étiquette vermomde zinnelikheid helpen prikkelen. [...]

                Waarom deze ernstige toon naar aanleiding van het simpele dansen? Omdat het spel nu eenmaal de hoogte óf de laagte van onze geest vertoont en dus een hervorming van de dans onmogelik valt zonder verandering in levenstijl. Het gaat heus niet enkel om een paar passen en sprongen, om een kleinigheid of uiterlikheid, het gaat om niets minder dan het ontsmetten van onze samenleving zelf. [...] Er zit even weinig leven in de step als er muziek zit in de jazz, waaraan we onze aangeboren smaak verraden. Dat lamlendig waggelen schijnt de verdoving voor een beu-geredeneerd en krom-gedraaid geslacht, dat alleen nog lachen kan, wanneer het kunstmatig wordt gekieteld. Geen spoor van jonge bevrijding, van fiere verheffing, van sterke vernieuwing is er te bekennen in zo'n slap geslungel met blote armen en rose benen, met ingezakte borst en doorgezakte knieën, waarbij de man zijn zelfbewustzijn en de vrouw haar schaamtegevoel noodlottig voelt dalen.

                De rei daarentegen, de levenslustige rei, midden in de frisse natuur en het forse volk geboren, zal veerkracht geven aan de Nederlanders, die hier wakker hun eigen aard herkennen. De rei staat in redelike, doelmatige verhouding tot ons bestaan, omdat wij er opwekking voor ons werk, evenwicht en regelmaat uit halen. [...]

                Intussen is de rei tenslotte niet op het gezelschap zozeer gericht als op de volle gemeenschap, waaruit de drang tot sierlike kringvorming is voortgekomen. Er steekt dan ook een geestelik gehalte, een kostbare levenswaarde achter dit schijnbaar luchtige verkeer, dat de volkomen zelfbeheersing vordert, waarop overeenstemming en samenwerking berusten. [...] "

 

We moeten ons echter wel realiseren, dat in die jaren het dansen in confessionele kringen een uiterst verdacht verschijnsel was (wat het in sommige milieu's nóg is). Gedurende de jaren 1926-1928 woedde in r.k. tijdschriften over dit thema een hevige polemiek, waarin ook Pollmann zich niet onbetuigd heeft gelaten (cf. Vos 1993 p 219v, 440). In protestantse kringen was het de veelzijdige godsdiensthistoricus Gerard van der Leeuw die in 1930 de discussie aanzwengelde met zijn inspirerende brochure "In den hemel is eenen dans... Over de religieuze beteekenis van dans en optocht".

 

 

Dit hooggestemd zoeken naar een als nieuw gebrachte maar eigenlijk heel oude levenshouding, teruggrijpend naar een idealiserend geconstrueerd beeld van tijden van vóór de grote breuk van Hervorming, Renaissance en Rationalisme, kenmerkte ook een eveneens in 1923 door Delftse studenten opgestarte beweging, Heemvaart: strevend naar eenvoud, oprechtheid, liefde voor de natuur deed men enthousiast aan wandeltochten, spel, lied en reidans. Het hoeft niet te verbazen dat volkslied en volksdans in deze kringen een kans kregen, zeker bij de geestdriftige propagandering ervan door Willemien Brom-Struick en de Nijmeegse neerlandicus Jop Pollmann, student van de eerste lichting der Katholieke Universiteit en enthousiast actief in diverse r.k. jeugdorganisaties. Verbazen zal evenmin dat met name het zo duidelijk vocaal gedachte lied van vóór de breuk, vóór de hervorming dus, bij Pollmann het hoogst gewaardeerde model zou gaan worden voor het nagestreefde herstel van een eigen Nederlands volkslied. Dat immers, zoals hij in zijn proefschrift van 1935 onder woorden brengt, was bedorven door onnederlandse syncopen en chromatiek, door calvinisme, internationalisme en ‘instrumentalisme’.

 

NOOT 50:

W. Brom-Struick:     Reidansen (Eerste bundel, 1928; later volgden nieuwe bundels, en herdrukken)

W. Brom-Struick:     Lied en Luit. Nederlandsche volksliederen (1929)

Jop Pollmann:       De student, z'n lied en z'n zingen. In: De Bries, een bundel drankweer- en Heemvaartschetsen (etc.). - Utrecht 1927, p 71-75

Jop Pollmann:        Ons eigen volkslied. - diss. Nijmegen 1935

 

Vos 1993 (p 443) vermeldt van Pollmann o.m. de volgende zangbundels uit de jaren '30 (ik noteer ze met jaartal van eerste druk voorop; na de titel jaartal van herdrukken):

 

1931:  Het Blonde Riet (1935; 1938)

1933:  Galmgaten (i.s.m. T. Creyghton en A. Ramselaar) (1936)

1935:  Het Lachende Water (1938)

1936:  Ons Lied. Een bundel volksliederen voor "De Jonge Werkman"

1936:  Kleuterliedjes

1937:  Het Zingende Kamp (voor de Ned. padvinders tgv. Wereldjamboree)

1938:  De Blijde Bongerd

1938:  Slaat trommels en trompetten, 10 Vaderlandsche liederen

1939:  De Vloot Zingt (12 liederen, verz. en bew. Dr.J. Pollmann, leider Koninklijke Vereeniging "Het Nederlandsche Lied")

1939:  Het Leger Zingt (in 1947 verscheen nog een gelijknamige bundel i.s.m. Tiggers)

In de thematisch geordende bibliografie van Vos 1993 worden verder publikaties van Pollmann vermeld op pp 417, 418, 423, 427, 431, 440, 441 (daar de vroegste artikelen uit 1926 tm. 1928, over dans, syncope, melodie, Gregoriaans, studentenlied, muziek en zang in de jeugdbeweging; ook latere, o.m. over jeugdbeweging, recreatie, volkslied, spel, schoolzang, aesthetische vorming in het onderwijs, rhythmisch gevoel, leidersvorming, volkscultuur, volksdans, normen bij beoordeling van nieuwe liederen), 443, 444, 456.

Voor de waardering van volksliedminnaars voor (laat-)middeleeuwse melodievormen zie ook Hensel 1923 (na 1927 in herziene herdrukken) p13vv.

 

Maar het is in veel opzichten dus wel een andere invalshoek dan die van Piet Tiggers. Er zijn overeenkomsten (bv. het streven naar eenvoud, natuurlijkheid en waarachtigheid in de teksten; naar goede, zingbare melodieën ook), maar Pollmann selecteert anders. Jan Meilof signaleert verschillende inbreng van Pollmann en van Tiggers in “Nederland’s volkslied”: “Het lijkt of Pollmann meer zijn stempel op NV heeft gedrukt. Dat hoeft niet negatief uitgelegd te worden. De wederzijdse achting van beiden kennende, meen ik dat Tiggers in Pollmann het absolute meesterschap heeft ervaren.” De bundels van Tiggers bevatten veel strijd- en jeugdliederen, en veel liedjes gaan terug op Van Vloten aldus Meilof; hij noemt het “treffend dat Pollmann geprobeerd heeft naast vele oudere liedjes ook moderne teksten in de zangpraktijk in te voeren. Hij liet zich niet leiden door de keuze oud/nieuw maar door overwegingen van kwaliteit.” Kwaliteit dan naar Pollmanns normen.

 

NOOT 51:

Jan Meilof, in het Gele Boek (1980) pag. 32

 

Gezongen werd er nog veel in die jaren, bij velerlei soort gelegenheden; en dat niet slechts in roomse en rode kringen. Maar als het, behalve natuurlijk in kerk en op politieke bijeenkomsten, al niet de straatdeunen en jongste schlagers waren, dan toch te vaak de op school aangeleerde hol-nationalistische of zoetelijk-moralistische produkten van het genre 'Kun je nog zingen zing dan mee’: "het gif van liederen als 'Hoog op de gele wagen' en zo" - of erger. Ook de "potpourri's van slecht en goed als Jan Pierewiet of Zangzaad" ('Zandzaad, staat er per ongeluk in Tigger's Signaal-artikeltje van december 1938...) waren maar al te populair.

Zo werd het volkslied natuurlijk nooit uit zijn "decadentie" gered! In het september-oktobernummer 1937 van Het Signaal, citeert Tiggers uitvoerig en met instemming een recente klacht van Pollmann in het tijdschrift Volksontwikkeling. Na de constatering dat "alleen door bepaalde jeugdorganisaties werd beseft, dat volkszangactie niet los van volkscultuur-actie gevoerd kan worden" had Pollmann behalve de AJC en De Jonge Werkman (r.k.) alleen nog de Vrijzinnig Christelijke Jongeren Bond kunnen noemen waar goed werd gewerkt. Overal elders werd het volkslied grootscheeps "verknecht" en gedegradeerd tot propagandamiddel, "voor roeiers en voetballers, voor athletiekers, voor padvinders en wandelclubs. Wie kent niet de propagandaliederen voor A.V.R.O., K.R.O., V.A.R.A. en N.R.C.V.?" En de Vereeniging tot verbetering van den Volkszang, "de grootste boosdoenster", was Pollmann nog vergeten...

 

NOOT 52:

[Piet Tiggers in] Het Signaal, 1937, p 33-37; over Jan Pierewiet en Zangzaad: 1938 p32

 

 

De muziek-pedagogische beweging; invloed van de Jugendmusikbewegung 10

10.doc

 

        

 

5:      DE MUZIEK-PEDAGOGISCHE BEWEGING

 

 

 

In het voorafgaande is hier en daar al een andere belangrijke voedingsbron van Renske’s denken en werken ter sprake gekomen: opvoedkundige idealen zoals die sedert de opbloei van de z.g. Reformpedagogiek aanhang hadden gevonden, in Nederland zoals elders. Met name Duitse invloed heeft hierbij een rol gespeeld: we zagen het voorbeeld van de Duitse socialistische jeugd, maar moeten nog speciaal aandacht vragen voor de Jugendmusikbewegung van vooral de jaren ’20 en later, die “in de eerste plaats uitdrukking (gaf) aan de behoefte van bepaalde groepen in de samenleving, die actief wilden musiceren maar zich niet konden of wensten te conformeren aan het bestaande muziekleven”. Ook daar grote liefde voor het volkslied, sedert 1909 zo gepopulariseerd door de bundel Der Zupfgeigenhansl. Wij denken nu met name aan figuren als Leo Kestenberg,  Walther Hensel  en  Fritz Jöde.

 

Hensel (1887-1956) was met zijn Finkensteiner Bund (1924; later de Arbeitskreis für Hausmusik) meer ideologisch “heemkundig” geïnspireerd dan Jöde (1887-1970) met zijn Musikantengilden (1922). Hun ‘Singwochen’, ‘offene Singstunden’ en ‘Singgemeinden’ waren een soort laboratoria voor musiceren volgens nieuwe idealen, zoals door de hervormingsgezinde Kestenberg (1882-1962; oorspronkelijk concertpianist, sociaal-democratische Ministerialrat in de Pruisische regering Becker) ook in het onderwijs voorgestaan. Op de door Jöde opgerichte muziekscholen (1923: de eerste staatsmuziekschool, 1925 een volksmuziekschool), maar ook elders in het onderwijs nam het zingen (van volksliederen!) een centrale plaats in; “muzische vorming (werd gezien) als integratiemiddel van de verschillende ‘levensuitingen’”; ‘gemeenschap’ was kernthema, met accent op het bovenpersoonlijk (niet-individualistisch dus samenbindend) karakter van muziek. Die mocht niet subjectief zijn, moest “gediend” worden door een gemeenschap van gelijkwaardige uitvoerders. Oude vocale polyfonie, “het ideale symbool van gelijkwaardigheid van stemmen in een collectieve creatie”, kon daarvoor ideaal geacht worden; daar immers werd de individuele expressie “prijsgegeven ten bate van de gemeenschappelijke beleving”.

 

NOOT 53:

Citaten uit Vos 1993 pp 225vv waaruit ik het meeste ontleen; bij hem dit alles vollediger en dieper gravend besproken. Daar ook zeer informatieve bladzijden over verschil en verwantschap tussen de inzichten en het werken van Hensel en van Jöde.

Overigens is het merkwaardig dat Vos zijn nogal kritische bespreking van Hensel slechts baseert op informatie uit de tweede hand (nl. D. Kolland: “Die Jugendmusikbewegung: Gemeinschaftsmusik, Theorie und Praxis”, Stuttgart 1979), en dat hij in zijn zeer uitgebreide, maar door de thematische indeling niet erg overzichtelijke bibliografie geen publikatie van Hensel zelf heeft opgenomen. Ook Jöde is daarin niet terug te vinden!

 

Zowel Hensel als Jöde hebben behalve door theoretische publikaties naam gemaakt met talrijke muziekuitgaven. Zij werden ook bekend in Nederland, waar zij lezingen kwamen houden; van Kestenberg werd in 1930 een artikel vertaald.

 

NOOT 54:

L. Kestenberg: ‘De cultureele taak van Staat en Maatschappij inzake muzikale opvoeding’ in “De Muziek”, 5e jrg 1930/31, pp 260-266

 

Tussen Jöde en Renske heeft blijkens zijn bewaard gebleven brief dd 22.12.1953 in ieder geval in de jaren ’50 een elkaar tutoyerend vriendschappelijk contact bestaan. Zij zullen elkaar ontmoet hebben bij de HNL-reis naar de Festliche Tage Junge Musik in Wanne-Eickel (Ruhr-gebied) waar ook Egon Kraus van de partij was, of tijdens het koorweekeinde ‘Ueber die Grenzen’ te Keulen, resp. april en september 1952; maar kenden elkaar wellicht al eerder. Jöde komt voorjaar 1951 ter sprake in brieven uit Basel van Wil Waardenburg aan Renske, in verband met een verder onduidelijk blijvend “leuk plan”.

 

 

 

Andere herkenningsmomenten voor HNL in de AJC-cahiers 11

11.doc

 

 

           

6:       ANDERE HERKENNINGSMOMENTEN VOOR HNL IN DE AJC-CAHIERS:

 

 

Wie de MUZIEKKAMPEN van HNL heeft meegemaakt (aanvankelijk in de zomer, later met Pinksteren), herkent de blauwdrukken daarvoor in de AJC-schriften tot in details:

 

dagindeling: III 52 (muziekkamp Paasheuvel juli 1932; III 63: danskamp Paasheuvel sept. 1932), IV 5vv (muziekkamp Paasheuvel juli 1933); V 1 (dagindeling zevende muziekkamp 3-10 aug. 1935); V 26 (idem 8e muziekkamp 1-8 augustus 1936); V 53 (idem 9e muziekkamp, 24-31 augustus 1937); VI 1-2 (dagindeling 10e muziekkamp 30.7-6.8.1938, Paasheuvel, olv. Tiggers)

 

corvee: V 25 ("keukendienst" 7e kamp, augustus 1935); V 26 idem in dagindeling 8e kamp, augustus 1936)

 

wandelen \ natuur: hoort erbij!: III 52;  IV 6;  IV 50;  V 22 (donderdag 8.8.1935 tijdens 7e muziekkamp: "3-9 wandeling! In het bos: Hebben wij als jeugdbeweging met jazz te maken?" [kennelijk een soort les]);  V 42 (donderdag 6 augustus 1936 tijdens 8e muziekkamp: wandeling met les cultuurgeschiedenis in de hei over Aufklärung en Romantiek, tijd van Beethoven);  V 68 (kamp, vrijdag 30.7.1937: "3 uur nachtwandeling"); VI 2 (: "17.30-18.15 gezamelijke wandeling" officieel opgenomen in de voor alle dagen geldende dagindeling van het 10e AJC-muziekkamp 30.7-6.8.1938); VI 8: [4.8.1938] "Vrijdag: 3 uur op: Zonsopgang. 8 u. ontbijt";  VI 19 (dagindeling 11e muziekkamp 5-12 aug. 1939 o.l.v. Tiggers, in een tentenkamp te Wylre:) iedere dag "11.30 wandelen"; "veel gewandeld", woensdag dagtocht naar Eperheide.

 

dans: I 35-36 (verband volkslied en bewegen; in dictaat van les van Tiggers?), III p63vv (Vierde danskamp Paasheuvel, o.l.v. Line Tiggers, 10-17 sept. 1932; p81-82: "Bonte avond!" met muziek, declamatie, twee kluchten en 'Line's Droom').

 

(toneel)spel, voordracht, bonte avond etc.: IV 6v ("Voordrachtsavond in de tent", "Gezamelijke bonte avond i/h. openluchttheater"); IV 57, 59, 60 (Mozarts 'Bastiaantje' zelf gespeeld tijdens 6e muziekkamp 21-28 juli 1934 olv. Tiggers i.h. Meenthuis te Blaricum); IV 68 (lekenspelconferentie, weekend in Het Anker te Amsterdam, zaterdag 7 maart 1936:) 'De Wastobbe' Dittersdorf; 'Hans, de stumper' (Sprookje van Andersen) A'dam; V 1vv (diverse pp: zangspelen voorbereid tijdens 7e muziekkamp Paasheuvel augustus 1935); V 25 (vrijdag 9 of zaterdag 10 augustus 1935, laatste kampdag:) "Loflied op Roel en Riek. Wijze: Noord, Noord West van Ameland": 4-strofige dank aan keukenpersoneel [die wijs te vinden als 'West Zuid West van Ameland' in "Kinderzang en kinderspel" I p44]; V 26vv (diverse pp: zangspel tijdens 8e muziekkamp, augustus 1936); V (losliggend blad tussen p57/58 met 10-strofig kennelijk tijdens het kamp gemaakt lied 'De kunst...'); V 53vv (: op diverse plaatsen sprake van de zangspelen die in het 7e AJC-muziekleiderskamp juli 1937 zijn voorbereid en uitgevoerd).

 

programmering III 15 (in lezing vermoedelijk van Tiggers, over leiding geven aan massazang: eenstemmig zingen heeft de voorkeur [N.B.: zeker in de eerste jaren van zijn bestaan is door Het Nederlandse Lied behalve in canon hoofdzakelijk eenstemmig gezongen RM]; geen instrumentale begeleiding [geen piano!]; p16: technisch niet te moeilijke stukken; "keuze der liederen": eenstemmige; canons!); V 52 (augustus 1936): regelmaat, rust, niet te veel tegelijk, "sober zijn met nieuwe liederen, oude veel herhalen"

 

 

 

 

De oprichting in 1940: De Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsche Lied 12_1_1

12_1_1.doc

 

 

 

7:      DE OPRICHTING IN 1940

 

 

 

7a:       DE KONINKLIJKE VEREENIGING “HET NEDERLANDSCHE LIED”

 

 

In 1930 was de toen 24-jarige jurist Louis R.J. Ridder van Rappard (1906-1994) opgenomen in het bestuur van de hier eerder genoemde Koninklijke Vereeniging “Het Nederlandsche Lied”, opgericht in 1904. In dat bestuur zat ook de actieve volks- en dialectkundige P.J. Meertens, en na de dood van Frits Coers, in 1937, werd de in 1935 op “Ons eigen Volkslied” gepromoveerde Jop Pollmann aangetrokken als adviseur. Van Rappard, burgemeester eerst van Zoelen, later van Gorinchem, was een uitgesproken antidemocraat met zeer rechtse en tevens sterk nationalistische ideeën, maar in gelijke mate antifascistisch. Hij stond altijd een hechte nationale saamhorigheid onder Oranje voor, onder aristocratisch bestuur. Om “de ware geest tot zelfbehoud en zelfhandhaving” in de volksgemeenschap te bevorderen en “binnen het eigen volk een positieve nationale gedachte tot vruchtbaar leven te wekken” hoopte hij dat de in 1939 opgestarte actie “De Nederlandsche Gemeenschap” zou helpen “tegen het heilloos gedoe der politieke partijen”. Bij deze beweging waren wel figuren van diverse snit betrokken, onder wie de socialist en oud-AJC-er Herman Molendijk, later burgemeester van Amersfoort, en bevriend met Renske Nieweg.

Ook actie tot behoud en bevordering van het vaderlandse lied zag Van Rappard als een belangrijk middel tot “verhoging der geestelijke en materiële weerkracht des volks”. Zeker na mei 1940 ging het hem, zoals daarvoor, om nationale concentratie, tegen de N.S.B in, en tegen germanisering van ons land en onze cultuur door Duitsland. Al op 22 juni 1940 schreef hij namens het bestuur van de Koninklijke Vereeniging aan Pollmann:

 

“Ik geloof vast dat onze vereniging juist nu ontzaglijk goed werk zal kunnen verrichten, omdat de kennis van het eigen volkslied iederen waren Nederlander beter de waarde van zijn eigen nationaliteit zal doen leren begrijpen en hem van de waarheid zal laten doordringen, dat in het eigen cultuurbezit de grootste rechtvaardiging ligt van een zelfstandig en onafhankelijk voortbestaan van een Nederlandsche natie, onder de door de historie gerechtvaardigde leiding van Oranje.

 

Voor alle werkelijk nationaal-voelenden zal het eerst nu mogelijk zijn, om elkaars taal te verstaan en ik vlei mij met de hoop, dat de voor ons liggende strijdperiode ook ons beiden nader tot elkaar brengen zal, omdat er thans voor geen Nederlander, die zuiver is blijven denken, nog enige onzekerheid behoeft te bestaan over die innerlijke betekenis van het woord nationaal.”

 

 

Een uit 1895 stammende vereniging “Algemeen Nederlandsch Verbond”, gericht op culturele integratie van alle stamverwante Nederlandse volkeren, nam het initiatief om te komen tot een landelijke concentratie van alle culturele organisaties in ons land. Pollmann echter, en met hem Van Rappard, vreesde machinaties ten behoeve van de nieuwe gezaghebbers en ze gingen er niet mee in zee.

 

 

 

Samenvatting en (voorlopige) conclusies 14

13.doc

 

           

 

SAMENVATTEND:

 

Ik heb in het voorgaande getracht de bezieling en inspiratie achter HNL verklarenderwijze te plaatsen in een groter, historisch raam: dat van  het jeugdidealisme van met name de AJC maar ook van andere jeugdbewegingen in het interbellum, en dat van de ideeën van het muziek-pedagogisch streven in die periode; steeds speelde daarbij dan de al langer groeiende aandacht voor volksliederen een voorname rol. Ik heb daarbij de grens van 1940 wel eens moeten overschrijden omwille van het juiste perspectief. Het was de persoon van de HNL-dirigente, Renske Nieweg, die hierbij noodzakelijkerwijze centraal kwam te staan; immers zij fungeerde a.h.w. als het prisma waardoor HNL zijn kleur kreeg.

In de volgende hoofdstukken moet worden beschreven hoe deze ideeën concreet doorgewerkt hebben in het reële bestaan van de zanggroep.

 

 

(voorlopige) CONCLUSIES

===================================

 

 

1.             Uit de schriftjes blijkt Renske intensief betrokken te zijn geweest bij de AJC-muziekleidersvorming.

 

2.             Die vorming was niet alleen muzikaal-technisch van belang, maar had een dominante levensbeschouwelijke component.

 

3.             Hoewel de AJC nauw verbonden was met de vooroorlogse socialistische partij valt van harde ideologische scholing op politiek gebied weinig te merken.

 

4.             Wel dragen de aantekeningen de signatuur van wat wel "gezindheids-" of "cultuursocialisme" is genoemd: een sterk sociaal betrokken, humanistische gerichtheid (waarbij religieuze aspecten niet werden vermeden).

 

5.             Kenmerkende steekwoorden c.q. begrippen zijn:

 

.               gemeenschapszin, saamhorigheid, opvoeding, musiceren is meer dan techniek, het gaat om een mentaliteit erachter;

 

.           taakbesef tav. de samenleving, maar geen dogmatisch politieke opstelling; humanistisch, optimistisch; relatie met personalistisch socialisme (Banning!) nogal eens met christelijke inslag; tolerantie náást vanzelfsprekend normatief besef;

 

.              geen banaliteiten; verzet tegen massacultuur en amusementsindustrie waar de mens object ipv. subject is;

 

.               waarde van volkscultuur; het volkslied: “neerslag van menschelijk leven” als uitgangspunt; om de eenvoud, het ongekunstelde, het niet-individualistische karakter ervan, waardoor het gemeenschapsbevorderend werkt; in dat perspectief ook het gepraktiseerde volksdansen;

 

.               geen individualisme\ competitie\ virtuozendom;

 

.               zorgvuldigheid (en dat niet alleen in het met inzet je aan de muziek wijden), verantwoordelijkheidsgevoel en discipline;

 

.               vreugde, vertrouwen in de mensen, toekomstgeloof, plezier;

 

.               iederéén kan meedoen mits met toegewijde inzet (“dienst” aan muziek);

 

.               praktische aanpak (vooral – goed georganiseerd – veel doén, zèlf doen);

 

.               belang van de eenstemmigheid (aandacht voor kwaliteit van melodieën!), waarde van canons;

 

.               inbedding in spel, sociale en andere activiteiten (natuurbeleving!);

 

.               de teksten van vocale muziek niet verwaarlozen;

 

.               in je leiding en door je persoon in diverse opzichten “veiligheid” scheppen;

 

.               ‘modern’ uitgedrukt: het proces is belangrijker dan het produkt.

 

 

 

6.             Bij het besluit tot oprichting van HNL, dat genomen lijkt te zijn op de cursus in Doorn, augustus 1940, zullen onder invloed van de politieke situatie: de pas begonnen Duitse bezetting, nationalistische idealen zoals die leefden in het bestuur van de Koninklijke Vereeniging uit 1904 mede een rol hebben gespeeld. Tot dien sterk vigerende levensbeschouwelijke en politieke scheidslijnen werden van minder belang; aandacht voor het volkslied bleek de gemeenschappelijke noemer waarop men elkaar kon vinden. Opmerkelijk overigens, dat de andere belangrijke speler in het nationale muziekpedagogische veld van omstreeks 1940, Willem Gehrels, in Doorn niet aanwezig was.

 

 

enz.