40_8_1

 

 

 

B.           ANDERE BIJLAGEN

 

 

 

EEN TOESPRAAK DOOR CARLA KOHNSTAMM  (ws. 1976)

 

[23-25 oktober 2004 overgetikt van xerox-gekopieerd ongedateerd handschrift. Deze kopie (18 blaadjes A4) behoort aan Marietje en Bas de Vries-Nieweg, die ze in 2004 toegestuurd gekregen hebben van M. van Biezen-Idenburg, Storm van ’s-Gravesandeweg 33, 2242 JB Wassenaar. – Gestreefd is naar een diplomatische weergave, maar zonder rekening te houden met het aantal A-4’s van het origineel. Gepoogd is ook de alinea-indeling van het origineel weer te geven, maar dat ivm. de kantlijn-mogelijkheden van de computer niet precies in dezelfde lay out.

De precieze datering moet ik nog nazoeken, blijkt niet te achterhalen via de kroniek in het Groene Boek. Wel moet, blijkens het slot,  HNL bij die feestelijke gelegenheid betrokken zijn geweest. Gezien het rekensommetje in het begin is het hoogstwaarschijnlijk het feest t.g.v. haar 65e verjaardag geweest. (1976)]

 

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Ja, lieve Renske, daar zit je dan!

Je ziet: we hebben wat mensen bij elkaar gehaald om een feestje te vieren, en misschien denk je dat ik hier sta, om je nu geluk te wensen met je verjaardag, maar dat is dan toch een vergissing. Je verjaardag ligt al weer achter ons en mijn gelukwensen daarvoor zouden een dag te laat komen!

Als je in mijn nieuwe vaderland, franstalig België, zou wonen, dan zou je sedert gisteren behoren tot diegenen die daar hoffelijk de “trois fois vingt” de 3 x 20jarigen genoemd worden; een rekenkundig wat on-exacte maar wel charmante benaming voor wat in Nederland 65+ heet.

 Drie maal twintig – en nog een paar jaartjes, Renske!en ik rekende uit dat er van die 3x20 net één deel verstreken was, toen we elkaar, vijf en veertig jaar geleden, leerden kennen – Het was Piet Tiggers, die ons bij elkaar bracht. Tijdens een bezoek aan Line en hem – ze woonden toen nog hier in Amersfoort – zei hij, zo droogjes “Je zou eigenlijk Renske Nieweg moeten leren kennen!”

 Hoe die eerste kennismaking precies plaats vond, ben ik vergeten, maar dat het meteen klikte, daarover is geen enkele twijfel, want vanaf dat moment was er geen vacantie, waarin we niet een aantal dagen bij elkaar doorbrachten. We waren beide in opleiding en kenden uitvoerige vacanties.

In de kerst- en Paas-vacantie logeerden we bij elkaar, afwisselend in mijn ouderlijk huis in Ermelo, of in dat van jouw ouders, hier in Amersfoort, aan de Utrechtse weg –

 Ik heb er mijn foto-album nog eens op nágekeken, en dan zie ik ons – tijdens zo’n vacantie, samen musicerend. De muziek, die ons in de persoon van Piet bijeen-gebracht had was een enorm belangrijke factor in ons samenzijn -

 Het fijne van musiceren is bovendien, dat het om medespelers vraagt en het bleef dan ook niet bij duo-spel. Wat hebben we in die jaren niet af-gemusiceerd met Charles Havelaar! Ik herinner me nog zo goed die blauwe kaften van Nagell Musik Archiv waaruit we Telemann en tijdgenoten speelden! Dat was tóen een doorbraak naar onbekende meesters, een ontdekkingstocht in een muzikaal nog bijna on-ontgonnen gebied.

 Het waren fijne dagen van muziek en vriendschap. Het waren overigens niet alleen nieuwe muziek vrienden die ik er door kreeg. Hoe dankbaar gedenk ik je ouders en de sfeer van hun huis! Het was dáár, dat ik de kwee-peren-jam leerde kennen; - waar ik nog altijd met een zekere nostalgie aan denk! – verder, zo karakteristiek voor de sfeer in jullie huis: “een boterham met tevredenheid; dan de voorlezingen aan tafel uit de Psalm-berijming van Gabriël Smit en Heer Bommel, alsmede de grote betekenis van de koffie- en thee-uurtjes – Als je moeder het sein daartoe gaf, onderbrak ieder zijn werkzaamheden; je Vader kwam uit zijn atelier, Mintje van achter haar boeken [doorgestreept: en] jij van achter de vleugel en ik legde de viool terzijde. ’s Middags wandelden we, met jullie grote zwarte Bouvier op “de Berg” toen nog helemaal “vrije natuur”. Musiceren, wandelen en vriendschappelijke contacten gingen in die onvergetelijke vacanties hand-in-hand.

 Pinksteren bracht ons samen in Vierhouten waar de A.J.C het grote Pinksterfeest vreide [sic] – we zongen en speelden in ’t Pinkster-koor en ’t Pinkster-orkest, uit de, door Piet verzorgde Pinkster-gaven. Wat wist hij met een contra-dans van Mozart een wereld van muziek voor ons te openen! Wat kon hij toveren met een lied of canon!

In ’t orkest speelde jij viool, wat ik zéér bewonderde
Piano-spelen leek me al zó moeilijk, dat ik haast niet begrijpen kon, dat je er nog een ander instrument bij kon spelen, temeer omdat je ook al blokfluit speelde, ja zelfs een blokfluit-kwartet van de A.J.C. te Amsterdam leidde!

 Het glansrijke hoogtepunt van muziek vriendschap en vrije-natuur lag in de zomervacantie, - met het muziek-kamp onder leiding van Piet. De datum ervan gaf structuur aan onze zomerplannen. We zouden het voor geen geld hebben willen missen! Slechts één keer moest je verstek laten gaan in ’39, maar de overige keren – hoeveel Rens? van mij zijn het er negen. – waren we allebei van de partij – Het sprak vanzelf dat degene die het eerst van ons op de Paasheuvel arriveerde, meteen het bed naast de eigen krib, reserveerde voor de ander –

Mijn foto-album roept herinneringen op aan ’t musiceren in grotere of kleinere groepen, op ’t podium, of de trappen van ’t Openlucht-theater, ’t bordes achter de keuken of tijdens een dagwandeling in de Hulsthorster-bossen: dáár zongen we, heel toepasselijk, de “Serenata im Walde zu singen”: Wenn hier ein kahler Boden wär, wo jetzt die Bäume stehn”

’s Avonds brachten we de stukken, die we ’s middags voorbereid hadden in de kring van luisterende vrienden ten gehore – Om het huis ruiste de stilte! Het viel niet moeilijk om in die sfeer van kameraadschap vóór te spelen, maar dat was anders bij de les in het “vóór de troep staan”, met critiek van Piet en deelnemers.

Heel griezelig: je had het gevoel twee armen en twee benen teveel te hebben en Mau Koopman dichtte dan ook naar aanleiding van een dergelijke evaluatie een lied met tot refrein de regel: Stilstaan met je benen, dát is de kunst -

  Een heel nieuwe wereld van muziek werd ons in die kampen ontsloten – muziek waarvan men in de officiele opleiding niets leerde kennen – We zongen Schein, Morley en Schütz, speelden Praetorius en Fischer; maar zongen evenzeer het eenstemmige volkslied en canons van de Wielewaal tot die van Mozart en Beethoven. We voelden ons muzikale “vóórtrekkers”, die nieuwe wegen van musiceren en een tintelend fris répertoire openlegden;  dit in een periode waarin muziek-minnend en –makend Nederland van mening was, dat er ter wereld drie canons bestonden, te weten “Broeder Jacob”, “De bezem”, en dan nog een héél moeilijke: “De Klokken van Haarlem”.

 Dit musiceren alléén al, zou ons naar de kampen getrokken hebben, maar [doorgestreept: dit] alles werd nog fijner door de warme vriendschap met Piet en onder elkaar. Ik keek weer in mijn foto-album en hoeveel namen schoten me daar te binnen!

Centraal natuurlijk Piet, daaromheen mensen als Otto Woudenberg, Bep Boetje die mooi kon zingen en luit speelde, Herman Brand met z’n fluit, Wim van Veen, Bouke Hoekstra, To en Wytze Heiman, Ab Weggelaar, Ko’tje Piller, Hetty Sauwer, Annie Beekman, Henny van Praag, Gerrit Vellekoop, Wim Lindenberg, Cor Helleman, Veronica Woudhuyzen, Dien Kes, Ko’tje Voorzanger, Rie Beukers

 

[Hier heeft Carla K. in haar manuscript ruimte open gelaten, waarschijnlijk om die later met nog meer herinnerde namen verder in te vullen]

 

Wim en To van Halm.

 

Wat was het geheim van die vriendschap? Ik geloof dit: dat we van elkaar wisten wat elk van ons écht [eerst: kon; daarna eroverheen geschreven:] goed kon.En dát kreeg dan z’n plaats in ’t geheel. Zodoende kwam iedereen en alles tot zijn recht! Zo ook op de [eerst: zaterdag- ; daarna vervangen door het erboven geschreven: ] afscheids-ochtend, die en beetje gevreesd werd vanwege de, aan het vertrek voorafgaande schoonmaak van het huis.

We boenden, poetsten en schrobden, zoals ik het verder nooit meer heb meegemaakt. De loodzware meubels uit het dagverblijf werden in de was gezet, de zware matrassen naar buiten gedragen, alle dekens geklopt. Met een zekere spanning luisterde je, wanneer Veronica de corvee-lijst oplas – En dan kwam, er, helemaal op ’t eind. haar mededeling: “en voor tintellect een speciale taak.” t Intellect waren wij beiden en we kregen een taak die minder lichaamskracht eiste! We wáren tintellect, anders dan de anderen, maar totaal geaccepteerd. Het is de grote ervaring van mijn leven geweest: als ánders gezien te worden en nogtans [sic] geheel geaccepteerd te zijn!!” [sic]

 

[boven de aanvankelijk genoteerde, maar doorgestreepte woorden geschreven: ] In onze lange 8-weken durende zomervacantie bleef [doorgestreept: Natuurlijk bleef ] er nog tijd over [ doorgestreept: in onze lange zomervacanties ] [boven de doorgestreepte woorden geschreven: ] voor verdere activiteiten ook buiten de Nederl. grenzen – Zo gingen we ook nog samen op pad, buiten de grenzen van eigen land. Met Mintje als derde logeerden we in Oostenrijk in een mooie boerderij, waar we over die vertrekken beschikten, die ’s winters door het boerengezin zelf bewoond werden. En ook daar werd gemusiceerd. We speelden alle drie blokfluit, en op een van de foto’s in mijn album zie je ons [het volgende woord bijgekrabbeld:] zitten al fluitend, in badcostuum, op een steiger van het meer.

 

[In de lengte in de kantlijn drie en een halve regel bijgeschreven: ]

Er waren ook muziek-kampen buiten A.J.C verband

Ik denk aan de weken o.l.v. Henri Geraedts en z’n vrouw

Was het dáár dat we jou leerde [sic] kennen: Roos Keller en Annie L.?

 

De terugreis [mbv. tussenvoegteken tussengevoegd, erboven geschreven: (uit Oostenrijk)] leidde ons door Duitsland, waar inmiddels Hitler aan de macht was gekomen.

We deelden de trein-coupé met een Duitser, kennelijk vurige Nazi-aanhanger, die ons in een gesprek over de politiek trachtte te betrekken. Ik heb toen zo ongeveer de grootste leugen van mijn leven gezegd, n.l. “Ach, wissen Sie, wir interessieren uns überhaupt nicht für Politik, wir sind nur Musiker!”

Een dikke leugen, want we voelden ons juist het volstrekte tegendeel van Nur-Musiker! We zongen “met ons schrijdt de nieuwe tijd”, en “Een nieuwe wereld dragen wij op onze jonge schouders.”, en ons musiceren was één aspect van die nieuwe wereld. Als je onder “politiek” een onmiddelijke [sic] ingreep in het openbare gebeuren verstaat, dan zou je kunnen zeggen, dat we daar niet aan deden. Maar alles wat we deden, in en buiten de A.J.C, [doorgestreept: was] werd gedragen door de visie [doorgestreept: van ] op een andere [doorgestreept: maatschappij ] samenleving, dan de heersende

Het was: een zorgvuldig en geduldig opbouwen van nieuwe menselijke verhoudingen, mét en dóór de muziek, een cel-vorming, die, naar we hoopten, bevruchtend en weg-wijzend zou zijn voor “de nieuwe mens, in de nieuwe gemeenschap.”

 

De zomer-vacantie in het Salzkammergut was meen ik 1936 – Enkele jaren later werd Oostenrijk onder de voet gelopen en in 1940 waren ook wij aan de beurt –

De A.J.C. hief zich [doorgestreept: op ] zelf op, de Paasheuvel viel in handen van de bezetter [met doorstreping gecorrigeerd: -s ] en diens handlangers. Maar Piet’s muziek-kampers kregen een briefje met deze inhoud:

 “We gaan in Doorn zingen. Ben je óók van de partij?”

Wie met dat “we” bedoeld waren, was ons slechts ten dele duidelijk. We wisten dat Jop Pollmann er één van was. Zijn naam was ons bekend door de zangbundel die hij uitgegeven had. Ook wisten we, dat hij in de Katholieke jeugdbeweging “Heemvaert” geijverd had voor een soortgelijke cultuurvernieuwing, als wij in de A.J.C gedaan hadden. Maar ik denk dat de meesten van ons nog nooit één woord met een katholiek gewisseld hadden: de scheidingsmuren tussen de verschillende levens-overtuigingen waren onvoorstelbaar hoog!

Echter: veel belangrijker dan de vraag, wie de door Piet genoemde “we” waren, was zijn uitnodiging om naar Doorn te komen, liefst twee dagen vóór het begin van de eigenlijke cursus. Een riskante zaak overigens! Wij, dakloos geworden A.J.Cers, - die in de verbijstering van de Mei-oorlog en de verwarring van de daarop volgende weken het gevoel hadden, dat onze wereld, die nieuwe wereld die wij gemeend hadden, op onze schouders te dragen, ten onder was gegaan – We kropen daar die twee dagen heel dicht bij elkaar: vogels die uit hun nest gevallen waren! En toen kwamen dan die “anderen”. We beloofden elkaar heldhaftig, niet te “klitten”! Alleen, dat dat ook werkelijk niet gebeurd is, was niet ónze verdienste, maar die van de “anderen”

Daar was dan het eerste gezamenlijke thee-uur, en aan Veronica werd gevraagd de namen van alle deelnemers op te lezen – maar als je nog nooit een katholiek van dichtbij gezien hebt, hóe spreek je hem dan aan? En als hij dan bovendien nog een omgekeerd boordje en een jas van volstrekt ongebruikelijke snit draagt? Dan maar in ‘s hemelsnaam: “Hoe heet je?” en ik hóór nog Kapelaan Slot, met een goed Limburgs accent “Jean” (Sjang) zeggen. Alle scheidsmuren vielen met één slag om! Binnen 24 uur ontstonden nieuwe vriendschappen, even open en hartelijk, als diegenen, die ons in onze Paasheuvel-kampen samengebonden hadden – Juist op ’t moment, dat het gevaar dreigde, dat we in een krampachtig naar binnen gekeerd isolement zouden geraken, openden zich nieuwe, ruimere mogelijkheden.

  Ik heb de foto van die eerste week te Doorn, nog eens bekeken.

Jop, met pret in z’n ogen, Piet met zijn officiers-uniform nog aan en met een heel hoge en heel stijve kraag met sterren. Sjefke Lennaerts, Fred Heynen, Wolf Langen, Felicitas, Jan Cox en veel andere dierbare gezichten – Schuin bovenaan, in de hoek is nog net het opschrift te zien van een bord dat aankondigt dat zich daar een museum bevindt. Maar dat is een boosaardig toeval! Want de vriendschappen die in deze week tot stand kwamen, zijn gelukkig nooit museaal geweest, maar bloeiend en echt –

  De deelnemers aan die Doornse week zagen elkaar nog een keer in de winter in Weert en in Juli ’41 in Ommen. Een andere deelnemer van dat kamp, was een afgezant van het N.S.B-lichaam dat zich met de volks-cultuur moest bezig houden. Zijn rapport in den Haag [boven de volgende regel geschreven: ] bood voldoende aangrijpins-punten [sic]

leverde genoeg [doorgestreept: stof ] op, om de volgende, in Doorn geplande week, te verbieden –

Bij een razzia op gijzelaars, in ’t voorjaar 42 werd Jop gevangengenomen – Piet, slachtoffer van het Engeland-Spiel [sic], kon [ doorgestreept: zich op ] dank zij zijn militaire rang, in het [ doorgestreept: kamp ] gevangenkamp van de militairen van het voormalige Nederlandse Leger, belanden.

 Van het Doornse driemanschap, bleef alleen Sjefke op vrije voeten.

  Zo was het dan ook dat we, op een cursus te Roermond, van het Ward-Instituut, in de zomer van ’43, hem, en andere vrienden uit de Katholieke wereld terugzagen.

In het barakken-kampje te Haelen werden we, Rens, Mintje en ik, de enige Non-Papa’s, ondergebracht. Daar leerden we ook jou, kennen Titi, en versterkte zich de band met Jan.

 

1945. Aan de onvoorstelbare druk van de bezettings-jaren kwam tóch een eind! We konden weer gaan opbouwen. Toen het verzoek kwam van de leiding van de inmiddels hér-rezen A.J.C, aan ons beiden, om sámen het werk van Piet voort te zetten, [doorgestreept: heb je er de ] ben je daar niet op in-gegaan, maar hebt  - zeer terecht -  besloten, om dat wat je in Amersfoort begonnen had, verder uit te bouwen. Terecht, want je werk dáár heeft een veel grotere kring bereikt, dan ooit in jeugd-bewegings verband, mogelijk zou zijn geweest –

Onze contacten werden minder frequent; onze vacanties vielen niet langer samen – maar de band was te hecht, dan dat die er schade door leed –

We volgden geregeld elkander’s werk: jij kwam op Pinkster-maandag naar Vierhouten, ik had contact met “het Lied” en leefde mee met de Kerstzang-avonden.

  Toen ik in 1952 trouwde, behoorde jij tot de geregelde gasten van ons Haagse huis –

Een paar dagen wist je toch altijd weer voor ons vrij te maken, en het programma van die dagen – hoe kon het ook anders – bestond als van ouds uit de drieslag: muziek, menselijke contacten en vrije natuur.

 Je moést en zóu de zee zien! De grote ruimte, de vrijheid ervan en het spel van de golven hadden een geweldige aantrekkings kracht op je!

  We brachten ook nog samen een paar muziek-weken door. Zo een Barok-week, uitgaande van de Ed. v. Beinum-Stichting waar we ons, geloof ik, wat displaced voelden. De doelstelling ervan, was zo anders, dan de onze – maar tóch: nog na jaren kunnen we teruggrijpen op de tóen nog voor ons onhaalbare aanwijzingen van Harnancourt [sic], en we wonnen er een nieuwe vriendschap, met Veronica Hampe.

  We voelden ons meer op onze plaats in een week in ’t Oolgaardthuis onder leiding van Jan Boeke, Kees Vellekoop en Veronica Hampe - Het was ook in dát kamp dat we samen met Anneke en Leo Meilink Dufay speelden.Eén van mijn heerlijkste muziek-herinneringen –

 

Mijn man en ik betrokken ons twede [sic], weldra eerste en enige huis, in de Ardennen – Maar de 300 Km. die ons scheidden, werden geregeld overbrugd, want je kwam even getrouw als voorheen. En al weer vergrootte zich onze kring: jij bracht Zuster Rosa bij ons en op jouw beurt leerde je – voorzover je ze al niet in den Haag had ontmoet – onze vrienden, onze kinderen en kleinkinderen kennen.

Je volgde die opgroeiende twede en zelfs derde generatie met diezelfde warme belangstelling voor mensen, die ik van ouds van je kende.

 Een nieuwe generatie! Ja, we droegen niet langer de nieuwe wereld op onze jonge schouders! Anderen namen die taak van ons over, sloegen de hand aan de ploeg en deden de dingen, soms zoals wij het gedaan hadden, en soms ánders! Dat was en is wel eens een schrik! Gooien ze niet ál te snel dingen overboord, die ons zó gevormd hebben, zó kostbaar voor ons geweest zijn? Heeft, wat ze doen, wel qualiteit of is het alleen maar een mode, een bevlieging, een behalen van kortstondige succesjes?

 Die vragen rezen wel eens op, en dat is goed ook! Want ze dwingen je, om je rekenschap te geven, van wát je wilt, en wáárom je iets wilt; ze vormen een leerschool in bescheidenheid en een oefenterrein voor geduld –

 

Ja - Renske, dat alles, die 2 x 20 zo rijke jaren kregen we en dat hebben we allemaal aan de muziek te danken.

Eigenlijk zouden we op een dag als deze een danklied aan de muziek moeten zingen, vind je ook niet? Wat zullen we kiezen: iets eenvoudigs zoals de canon Viva la musica, of met instrumenten erbij Ahle’s “Lob der Musik” – Of misschien Hindemith’s cantate “Frau Musica” op een tekst van Luther? Als ik mocht kiezen, dan zou ik aan [dit laatste woord erbijgeschreven] die Luther-tekst [doorgestreept: aan ] in de zetting van Vulpius de voorkeur geven – Die tekst lijkt me n.l. zo toepasselijk op deze dag! Mag ik hem even toelichten?

  Het begint ermee dat Luther Frau Musica élf aan ’t woord laat. Ze zegt:

 

Die beste Zeit im Jahr ist mein!

Da singen alle Vögelein –

Himmel und Erde ist der voll,

Viel gut Gesang da lautet wohl –

 

Ik denk stellig dat er vandaag ook “viel gut Gesang” te beluisteren zal zijn, nu we met zoveel vogels – tweebenige mensenvogels, van diverse pluimage, bij elkaar zijn –

Nu mogen we dan allemaal vógels zijn, maar, net als in de gevederde wereld, zal ook hier wel gelden, dat sommigen van ons lijsters, merels en vinken zijn, en dat anderen meer kraai-achtig voor den dag komen – Ieder vogeltje zingt nu eenmaal, zoals het gebekt is!

  Ja, er zijn heel veel verschillende vogels maar daaronder slechts een dood-enkele nachtegaal: een uit de duizend misschien!

  Luther wist dat ook en daarom vervolgt hij zijn tekst aldus:

 

“Voran die liebe Nachtigall,

Macht alles fröhlich überall,

Mit ihrem lieblichen Gesang,

Des musz sie haben immer Dank.”

 

Maar die nachtegaal is dan ook niet zomaar een zangvogel, maar, om met Luther’s woorden te spreken: ze is “Der Musica ein Meisterin!” een meesteres in de muziek –

 Luther was zelf een kundig musicus en wist wat er allemaal bij te kijken komt, éér iemand een meester in de muziek genoemd mag worden –

Dat vliegt je niet aan; dat betekent vele jaren van leerlingschap; van toewijding aan de zaak, dat betekent “woekeren met je gaven!”

Maar Luther wist óók, dat “woekeren met je gaven” voor een “begaafde” eigenlijk vanzelfsprekend is. Gaven worden een mens geschónken, maar niet voor hém of haar alleen, ze zijn er evenzeer voor de ánderen! Gaven zijn er, om dóórgegeven te worden. Luther wist dat en daarom gaat zijn dank aan de nachtegaal óp, in een veel diepere en wijdere dank: de dank aan Hem, om met Luther’s woorden te spreken die de [doorgestreept: “ ] nachtegaal “also geschaffen hat”

 

Lieve Rens, lieve nachtegaal, ik geloof dat ik geheel in jouw geest handel, als ik nu aan “Het Lied” vraag of zij Luther’s [ Lied  gewijzigd in: ] lied voor ons willen zingen --

 

 

 

 

 

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++