DOGMATIEK, GRAMMATICA VAN DE VRIJHEID
Ill. Retable van Boulbon rondom Soren Kierkegaard.
Een beknopt Wiskundig Model van de Christelijke Dogmatiek als
Metasysteem voor de Westerse Moraal.
Door Kees van Baalen, Amsterdam 2006
(tussen haakjes staat af en toe een jaartal en een relevante
"kerkvader")
Reacties
Wiskundigen houden van formules. Hier heb je er een:
C(p)
C stelt voor een levenssituatie en p wat daarin gedaan wordt.
Ik ga die formule meteen gebruiken. Mijn situatie C is dat ik
begin aan het artikel dat u nu in handen hebt.
p is dat ik de woorden schrijf, die u nu leest.
C(p) is dus een model van mijn handeling.
Nu volgt hier een, wat ingewikkelder, maar toch ook relatief
eenvoudig model van de westerse moraal, zoals die ooit vanuit de
christelijke dogmatiek is opgebouwd.
Het is gemeengoed dat de westerse moraal wortels heeft in het
Joodse geloof. In de Torah, de Joodse Bijbel, (Mozes ong. 1300
vC) staan zo'n 600 regels in de vorm van
C(p).
Bijvoorbeeld:
C="Als een os iemand heeft gedood en de eigenaar was gewaarschuwd
dat de os stotig was,"
En p = dan moet die eigenaar gedood worden."
Er lijken ook regels te zijn, die aan de vorm
C(p)
lijken te ontsnappen, zoals "Pleeg geen overspel."
Hier is het gedragsvoorschrift p (= Geen overspel plegen) al
meteen gegeven.
Dit soort regels golden in iedere situatie C. Dus ook hier
C(p)
De Torah-regels zijn later nog uitgebreid (o.a. in de
Babylonische Talmoed) tot er voor iedere levenssituatie in
principe een regel was van type
C(p), waarbij C een uitwendige
beschrijving van een situatie betrof en p uitwendig gedrag.
Omstreeks het jaar nul van onze jaartelling komt hierin een grote
verandering. Innerlijke gegevens, zoals gevoelens, gaan een rol
meespelen. Een goed voorbeeld is de uitspraak van Jezus: "Wie een
vrouw aanziet en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel
gepleegd."
Voor die tijd telde alleen als je hét gedaan had.
In het Christendom gingen innerlijke gegevens, zoals gevoel wel
meetellen in de moraal.
Ook in juridische wetten gingen in die tijd gevoelens meetellen.
In de oude wet stond dat iemand een dief was als bij hem een
geit, een schaap of iets anders van een ander werd aangetroffen.
In wetten van ong. 250 vind je bij deze regel de toevoeging
"waarvan hij kon aanvoelen dat dit het bezit van iemand anders
was."
Over hóé gevoelens meegerekend moesten worden in de
moraal is in het jonge christendom eeuwenlang gesteggeld.
De apostel Paulus geeft een lijst met "goede" gevoelens:
lankmoedigheid, goedertierenheid, bescheidenheid, enzovoort. Dit
kon echter niet helemaal kloppen omdat Jezus zelf boos de
wisselaars uit de tempel had geworpen.
Het ging dus niet om de gevoelens op zich, maar om de combinatie
van gevoel en situatie.
Op een concilie in het keizerrijk werd in 325 in Nicea besloten
dat gevoelens, hier aangeduid met F, in de handelingsformule als
volgt een plaats krijgen
C(F(p))
In woorden: In situatie C doe je vanuit gevoel F het gedrag p
In die tijd drukte men het uiteraard anders uit. In het mythische
idioom van toen luidde het dat Jezus, of Christus of de Logos,
zoals hij intussen ook genoemd werd, goddelijk was, net zoals God
de Vader, die de wereld (situatie C) geschapen had.
Het gedrag p werd vanaf toen niet alleen vanuit Gods C gezien
maar ook vanuit gevoel F, dat door Jezus, de Zoon was gaan
meetellen .
(een kerkvader is hier Athanasius)
De regels, die eerst in C gegeven waren, de Wet, waren niet
helemaal weg. In apostolisch idioom: "In Christus is de Wet
vervuld". Wij zouden nu zeggen dat de regels van karakter
veranderden. Zij werden "normen", grenzen tot waar je mag gaan
met je gevoel. In het overspelvoorbeeld mag je je gevoel F niet
tot begeerte laten komen. Binnen die grens is je gevoel F
vrij.
Toch was men er daarmee nog niet. Je kunt naar regels "kijken" op
verschillende manieren, namelijk naar de "mazen" en naar
"trucjes" om ze te omzeilen.
Om deze verkeerde manieren van "kijken" te voorkomen greep men
naar een erfenis van het Griekse Platonisme. Namelijk dat ieder
mens in zich een besef van zuiverheid heeft. Daarom heeft men in
381 op weer zo'n algemene rijksvergadering in Constantinopel de
algemene structuur van een menselijke handeling uitgebreid met
hetzuiverheidsbesef, hier aangeduid met V.
Het schema van een handeling werd toen
V(C(F(p)))
In woorden: Vanuit het zuiverheidsbesef V worden de situatie C en
het gevoel F beoordeeld en vanuit F wordt het gedrag p
voorgenomen.
In het kerkvaderlijk idioom werd dit uiteraard anders uitgedrukt.
Vanaf de apostolische generatie was reeds sprake van de "Heilige
Geest", zonder dat deze theologisch gepreciseerd was. In het
juist bovengronds gekomen Christendom, dat zelfs naar
staatsgodsdienst van het keizerrijk tendeerde probeerde men zich
te verstaan met de reeds bestaande filosofiën. Zo was de
Zoon reeds geïdentificeerd met de Griekse Logos. En zo werd
het platonische zuiverheidsbesef van de ziel gekerstend tot
Heilige Geest.
("kerkvader" hier o.a. Gregorius van Nazianze.)
Zo hadden toen de drie menselijke morele vermogens: 1)
zuiverheidsbesef V, 2) kennis van je levenssituatie C en voelen
wat je van daar uit wil F, ieder een beschermer in de antieke
hemel gekregen.
Deze "trinitaire" geleding van menselijke morele vermogens
V(C(F(p))) is sindsdien in preek en tekst aan de mensen
uitgelegd.
Voor de destijds ongeletterde meerderheid was er ook nog de z.g
"Bijbel der Armen, bestaande uit altaarstukken, fresco's,
mozaïeken en sculpturen.
De Heilige Geest, iconografisch een witte duif, zweefde boven de
Vader en de Zoon. Ofwel "omvatte" beiden met zijn vleugels. Zoals
de V in onze formule met haakjes de vermogens C en F omvat.
Enkele voorbeelden:

Chartres: Notre Dame - belle verriere

Hans Baldung Grien: Mystic Pieta

Allerheiligenbild: Albrecht_Duerer

Heiligen Driefaltigkeit
Intussen was doorgedrongen dat deze geniale kerkvaderlijke morele
constructie
V(C(F(p))) slechts een "voornemen" betrof en dat het
werkelijke gedrag, dat ik hier verder aanduidt met p',
aanmerkelijk kon verschillen met het vanuit V,C en F voorgenomen
gedrag p.
De apostel Paulus en de kerkvader Augustinus spreken hier
duidelijke taal over.
Het werkelijke gedrag p' relateer ik op wiskundig gebruikelijke
wijze aan de "bedoeling" V(C(F(p))):
((V(C(F(p)))), p').
In woorden: Ondanks de intentie
V(C(F(p))) wordt toch soms het
van p verschillende gedrag p' gedaan.
(kerkvader Tertullianus met de erfzonde)
De structuur van de formule is ook duidelijk zichtbaar in sommige
voorbeelden uit die Bijbel der armen.
Het gewone volk, dat niet p, maar p' doet krioelt ver onder de
hemelse triniteit.
De trinitaire structuur van een menselijke intentie
V(C(F(p))) is
niet meer gewijzigd in de westerse cultuur.
Over de relatie tussen bedoeld gedrag p en werkelijk uitgevoerd
gedrag p' is nog wel veel te doen geweest.
Hierover is in 451 een groot concilie gehouden in Chalcedon. Hier
is aangenomen de z.g. "Twee-Naturenleer". Christus had, zei men,
twee naturen, lichaam en geest. En dat is zoals wij, mensen,
onszelf sindsdien nog steeds beleven.
Toen moest voor de verbinding van lichaam en geest een oplossing
bedacht worden.
De grandioze middeleeuwse oplossing hiervoor was het
"sacramentele systeem". (kerkvader Gregorius de Grote 604)
Hierin werden lichaam en geest bij iedere handeling gebonden in
een sacrament, een kerkelijk ritueel. In het huwelijk
bijvoorbeeld het vlees en de liefde.
Maar ook voor iedere andere menselijke handeling werd de band van
het fysieke met het geestelijke in een openbaar ritueel bezegeld.
Een zakelijk kontrakt was slechts geldig na een priesterlijke
zegening. De oogst werd pas voedsel als het een bepaald soort
wijding ontving. Zelfs een zwaard kon pas gebruikt na een
kerkelijk ritueel.
Omdat het ondanks al deze kerkelijke bemoeienis toch niet altijd
goed ging was het allerbelangrijkste sacrament dat van de
vergeving. Als je het verschil tussen p en p' ging biechten kreeg
je vergeving: "Ego te absolvo".
Later, in de Hervorming, heeft men dit systeem als "goedkoop"
gehekeld. Maar toch heeft dit sacramentele systeem in de 1000
jaar middeleeuwen van de woeste primitieve "derde wereld", die
Europa was, het beschaafde Europa gemaakt, dat de Nieuwe
Geschiedenis in kon gaan.
Die sacramentele orde die het materiële met het geestelijke
verbond is in de Hervorming in Noordwest-Europa afgelost door
drie verschillende systemen: een Luthers, een Calvinistisch en
een Wederdopers.
De Lutherse oplossing was zijn "Zwei Regimente-Lehre", waarbij de
staat het materiële menselijk gedrag streng regelde en de
kerk het zieleheil verzorgde. Hier kan men bij onze oosterburen
nog wel wat van herkennen.
In de Calvinistische leer moest de dreiging van de praedestinatie
er voor zorgen dat de mensen zich naar hun intentie
gedroegen.
Als het je lukte om p en p' steeds hetzelfde te houden wachtte je
het eeuwige heil, anders de hel, was de boodschap.
Bij de Dopers moest een goede bedoeling
V(C(F(p))) voldoende zijn. Of dit werkte hebben zij niet kunnen bewijzen omdat hun
enige rijkje, in Munster, door verenigde protestantse en
katholieke vorsten al snel in de pan gehakt werd.
De koppeling van bedoeling p en werkelijk gedrag p', die nu hier
heerst, is tenslotte geleverd door Schopenhauer in het begrip
"Wil". Wij kennen nu als mensen elkaar naast de begrippen V,C en
F ook nog een moreel vermogen Wil toe, waarmee we p en p' bij
elkaar kunnen brengen.
Kerkelijke figuren zoals Pelagius, Johannes Duns Scotus en Pierre
Abélard hebben zoiets ook al wel aangegeven, maar het
begrip Wil als koppeling tussen intentie en gedrag heeft toch pas
sinds Schopenhauer algemene erkenning gekregen.
(Het is wat moeilijk om deze atheïst een kerkvader te
noemen. Toch is hij het die deze sluitsteen voor de christelijke
dogmatiek heeft aangebracht.)
Ik besluit met nog één wel echt christelijke
kerkvader te noemen die ten slotte de term F, de morele
gevoelscomponent, heeft gecodificeerd, Soren Kierkegaard. (1843
in het boek "Of of")
Het gevoel F ontwikkelt zich volgens Kierkegaard binnen C in
verschillende fasen.
Kierkegaard voert hiervoor literaire of muzikale voorbeelden
op.
Voor het eerste gevoel dat situatie C oproept kiest hij de page
Cherobino in de Figaro. Die raakt aan het hof van de graaf
verward door alle vrouwlijkheid om hem heen: Susanna, Barbarina
en Marcellina.
Zijn eerste gevoelsgolf F is verwarring. Hij legt zelfs een
liefdesverklaring af tegenover de gravin. Hij moet dan "Fort zum
regiment".
Zijn intentieformule
C(F(p)) is dus:
(vrouwlijkheid (verwarring (soldaat worden))
Van Papageno uit de Zauberflöte, die in een zelfde C terecht
komt vul ik zijn eerstopkomende gevoel F meteen in in de formule:
(vrouwlijkheid (opwinding (zoeken)
Van Don Giovanni is
C(F(p)), zoals bekend, zijn gevoel F meteen
begeerte en zijn formule dus:
(vrouwlijkheid (begeerte (verleiden))
Bij deze drie figuren heb ik duidelijk níét de
gehele christelijke intentiesttructuur
V(C(F(p))) ingevuld, want
zij laten zich direct meeslepen door hun eerste gevoelsindruk F
en toetsen deze niet aan het besef V van morele zuiverheid.
Bij hen ontwaakt niet de tweede mogelijke, en volgens Kierkegaard
belangrijke fase van de twijfel:
"Is het gevoel F wat ik voel wel goed?"
In de gewone snelle levenspraktijk beleeft men deze twijfel vaak
als kiezen tussen "p doen" of "p niet doen". Terwijl in feite de
echte vraag is: "Vanuit welke gevoelsachtergrond F ga ik me mijn
konkrete gedrag p voornemen?"
Twijfel is dan binnen situatie C "Welke F kies ik? Die eerst
opkomende F of kies ik voor het tegendeel van F "
Dat tegendeel van F duid ik verder aan met -F
Bij een eenvoudige C, zoals bijvoorbeeld sokken kopen, speelt de
twijfelfase zich in een oogwenk af.
Bij ingewikkelder situaties als het kiezen van een huis, een
beroep of een levenspartner zal de twijfelfase F of -F
ingewikkelder en langer zijn.
Er ontwikkelt zich een innerlijke dialoog met als kern
bijvoorbeeld:
"Ben ik verliefd of ben ik niet verliefd (genoeg)?.
Of: "Vind ik ze mooi (de sokken) of niet mooi (genoeg)?"
Afhankelijk van de complexiteit van C gaan er in het brein
vervolgens argumenten heen en weer tussen F en -F.
Deze innerlijke discussies kunnen zich verhevigen tot "liefde of
haat" en "mooi of lelijk"
Hier zal misschien de tegenwerping opkomen: "Ja, maar een gevoel
dat héb je toch gewoon!"
Hierboven is echter al aangegeven dat dit dan de eerste
Cherobino-achtige gevoelsindruk betreft en dat het in de
westerse, van oorsprong christelijke cultuur, gebruik is om,
zeker als het om belangrijke zaken gaat eerst te twijfelen
voordat je beslist of kiest van welke F je uit zult gaan.
Als voorbeeld van twijfel kiest Kierkegaard. Marie Beaumarchais,
de heldin uit Goethe's "Clavigo". Marie was verloofd met Clavigo.
Clavigo heeft haar onverwacht verlaten. Haar eerst opduikende
gevoel F laat zich raden, haat. Maar als zij tot wat rust komt
begint de twijfel, de tweede emotionele fase.
Voor Marie in konkreto: "Zou het misschien een misverstand zijn?"
Of: "Misschien denkt hij dat het voor mij beter is als ik zonder
hem verder leef? Dan deed hij het uit liefde?
Haar innerlijk hgevoel F blijft nu heen en weer gaan tussen " O,
ik haat hem!" en "Ach nee, ik heb hem toch nog lief!".
Formule: (F of -F).
Marie Beaumarchais blijft als literaire illustratie in de
twijfelfase steken.
Máár dat hóéft niet.
Twijfel is een gevoel en daar kan je dus ook aan twijfelen.
De derde emotionele fase van twijfel aan de twijfel, is volgens
Kierkegaard wat men vertwijfeling noemt.
Als voorbeeld neemt hij Donna Elvira. Elvira was een non, die
door Don Giovanni op zijn razendsnelle manier is verleid en die
haar op zijn zelfde snelle manier weer in de steek heeft
gelaten.
Zij gaat net als Marie later twijfelen. Maar zíj blijft
daar niet in steken. Zij gaat twijfelen aan haar twijfel.
Haar twijfel wàs: "Houd ik van hem of haat ik hem?" Haar
twijfel aan haar twijfel richt zich nu op de kern van haar
twijfel, namelijk op het woordje "of". Is er echt wel een
"óf?
Zij ziet dan dat er in haar ondanks de haat toch ook nog het
verliefdheidsgevoel aanwezig is.
En dat is nu de vertwijfeling!
Liefde én haat paradoxaal naast elkaar in je aanwezig.
Als Elvira Don Giovanni hoort zingen om notabene haar kamenier te
verleiden is de hand waarmee zij hem wil doorsteken tegelijk ook
bereid om hem weer te omhelzen!
Kierkegaard gaat als filosoof konsekwent verder en wijst een
vierde mogelijke emotionele fase aan. Ook in vertwijfeling kun je
in jezelf emotioneel weer een volgende twijfelende wenteling
maken en tegen jezelf zeggen: Of wil ik dáár
eigenlijk het tegendeel van voelen?
In de vertwijfeling realiseer je je dat je bijvoorbeeld liefde
én haat tegelijk voelt, maar wat is dáár het
tegendeel van? Liefde sluit haat eigenlijk uit. Wat blijft er dan
nog over? Het antwoord is: Niets! Niets, het klassieke object van
de angst.
Als voorbeeld van deze mogelijke emotionele fase neemt
Kierkegaard ons mee naar Gretchen, die door Faust verlaten is.
Hij was alles voor haar. Nu hij weg is is er voor haar niets dan
het zwarte gat van de angst, waar ook ieder van ons wel eens in
terecht komt. Wij moeten haar als literair voorbeeld bij haar
spinnewiel achterlaten met Schuberts "Meine Ruh ist hin".
Kierkegaard sluit echter de christelijke leer voor ons af met er
op te wijzen, dat je in het zwarte gat van het Niets ook weer
kunt twijfelen: Of nee kan ik ook hier weer niet aan twijfelen?"
Ik kan toch ook hiervan weer het tegengestelde gevoel oproepen in
mezelf? Dit is de vijfde mogelijke emotionale fase.
Wat is dat tegengestelde van Niets? Dat is logischerwijze
Alles!
Emotioneel alles kunnen kiezen, dat is de Vrijheid, de zesde
mogelijke emotionele fase, die Kierkegaard als laatste kerkvader
ons als laatste sluitstuk van de christelijke dogmatiek in handen
geeft.
Een vrijheid die je niet zomaar vanzelf hebt. Je bent, net zo als
Cherobino natuurlijk altijd in een konkrete situatie C gevangen,
waar je niet uit kunt vluchten zoals hij in een sprong uit het
raam. Je kunt je alleen bevrijden uit je gevangenschap in je
konkrete situatie door die, soms lange en moeilijke innerlijke
tocht door twijfel, vertwijfeling en angst te gaan.